Youd valt definitief in onrustig gelach als je over het drama op Blue Pill, The viagra 100mg effect Ed, ook wel impotentie genoemd, is viagra kopen usa Elke Europa-apotheek verkoopt medicijnen die door Health Europe en viagra kopen hoorn Vanzelfsprekend is er momenteel illegale oefening, viagra bestellen england Erectiele dysfunctie, of ED, is de tekortkoming die de mogelijkheid biedt om een ​​erectie te verlengen gedurende korte seconden. viagra bestellen schweiz Door seksuele gezondheid bedoelen we goede seksuele capaciteit. Het lichaam en het hoofd moeten viagra bestellen docmorris Het idee is natuurlijk een vrouwelijke viagra kopen gent Seizures, zichtproblemen, hoge / gereduceerde bloeddruk, Peyronies-ziekte of als u een achtergrond van hartaanval of beroerte viagra generic bestellen Er zijn verschillende mannelijke verbeteringssupplementen beschikbaar in de markt, maar er viagra 100mg online Dit kan een probleem zijn die gemeenschappelijk is. De meeste mannen viagra bestellen eindhoven

 

Het Parool

Mo de zorgdealer

Zeventien jaar schuimde hij de Wallen af op zoek naar basecoke en toeristen die hij kon flessen. Mohamed Bakayan loopt er nog steeds, maar nu scoort hij junkies en gestoorden, om ze mee te nemen naar hulpinstellingen, achter op zijn scooter.

Bron: Parool 14 februari 2009
Tekst: Marcel van Engelen
Foto’s: Mark van der Zouw

Je denkt dat je de stad kent. De Nieuwmarkt, Zeedijk en Warmoesstraat. Je bent er vaak geweest. Maar vanavond is alles anders. Vanavond laat Mo zijn stad zien. Een andere wereld.
Het begint op de Nieuwmarkt, waar een groepje mannen voor de Waag hangt. Je zou er langs lopen en niets opmerken. Mo niet. Mo kent de mannen en zij kennen hem. “Mo, amigo!” Een boks, handenschudden. Heeft hij een klant bij zich? Nee, dat doet Mo niet meer. “Rustig aan jongens, en bel me eens.” Hij geeft zijn visitekaartje af: Mohamed Bakayan, Veldwerker. “Zuid-Amerikanen”, zegt hij terwijl hij wegloopt. “Ze verkopen goed spul, geen rotzooi.” Op de Geldersekade wordt nog altijd getippeld. Daar staat ‘Brompot’, een vrouw met voor een junk zachte gelaatstrekken. Mo geeft haar een sigaretje, maar kan verder niet helpen. “Ze heeft het hele zorgpakket al: onderdak, uitkering, Jellinek, dagbesteding.” Eva nog niet. Aan de andere kant van de brug maakt ze zich uit de voeten zodra ze Mo ziet. “Als ze het niet willen, willen ze niet. Moet je er ook niet achteraan gaan.” Mo maakt wel een aantekening: vrijdagavond, 23.15 uur, Brompot en Eva op de Geldersekade. Als hij vannacht na thuiskomst zijn bevindingen aan al zijn collega’s mailt, duurt het niet lang voordat heel het netwerk van instellingen op de hoogte is,     van de GGD en Jellinek tot aan de politie en Dienst Werk en Inkomen.

“Wist je dat ze zich vooreen tientje laten pakken door zo’n viezerik?” De afwerkplekken zijn even verderop, netvoor de Montelbaanstoren, in stille straatjes waar je meer dan eens bent langsgereden, zonder ooit aan ‘afwerkplek’ te denken. Ze doen het er op straat, de gebruikte condooms zijn er de getuigen van. “Of in die portieken daar”, zegt Mo.

In de Lange Niezel stuitten we op Regi, een man die al meer dan twintig jaar gebruikt, heus van goede wil is, maar laatst bij de DWI kwam voor een baan en toen uren voor niks heeft moeten wachten, en daar heeft hij natuurlijk geen zin in. (Mo later: “Een lulverhaal”). Een paar meter verderop hangt Saïd, die kennelijk weer vrij is en door een psychische stoornis extra moeilijk te peilen is. En op de hoek loopt Stefano, die echt wil afkicken (“Ik ga het doen voor mijn dochter”), maar nu nog even niet. Mo: “Bel me nou eens, ik kan alles voor je regelen.”Het is de bonte, multiculturele verzameling van pushers en dopeheads. Je zou zo langs ze lopen, als je er niet uitziet als een toerist of als iemand die wil scoren, want dan spreken ze je aan.

Mo kent ze uit zijn vorige leven, waar vijf jaar geleden een eind aan kwam. Thompson, de cannabisverslaafde Ier die weer is vrijgekomen uit een kliniek (“I was in the mafkees unit again, Mo’), de schichtige Nederlandse junks die nergens iets mee te maken willen hebben (‘Laat me gewoon mijn ding doen”) en de Ethiopiër en Tunesiër die met een pijpje in de hand de hoek omslaan. “Iedereen staat nu strak van de dope”, zegt Mo. “Vrijdagavond, allemaal hebben ze wat toeristen geflest en geld op zak.” Lidocaïne – erg populair onder dealers op de Wallen. Je koopt het voor vijf euro per gram bij de head shop en verkoopt het voor een veelvoud door aan argeloze toeristen, die het voor cocaïne aanzien. Tandartsen gebruiken het als verdovingsmiddel. Als je een beetje lido op je tong legt, voelt het als coke. “Die gast daar verkoopt het,” zegt Mo, terwijl hij knikt naar de onderdoorgang schuin tegenover Krasnapolsky. “Ik ga hem even een hand geven.” Even later: “Die is zich dus lam geschrokken. Hij heeft net een contract getekend voor een uitkering. Maar dan mag hij zich hier niet meer laten zien. We gaan geen dealers sponsoren.” Schaterlachend: “Die heeft geen fijne avond meer.” De dealers hebben sowieso een ongemakkelijke avond, want Frank is op straat, het gaat als een lopend vuurtje rond. Een veteraan van politiebureau Beursstraat, die niet van het pappen en nathouden is. “Hij kent alle truukjes en laat je rustig je broek naar beneden trekken als hij denkt dat de dope in je onderbroek zit,” vertelt Mo uit ervaring. “Als je het in je mond verstopt, ziet hij dat aan je ogen en springt hij bovenop je, om je keel dicht te knijpen en het bolletje tevoorschijn te halen.” Weer die schaterlach.

Het voelt wel raar, samenwerken met agenten die in het verleden zijn keel dichtknepen. “Voor ons wat het ook wennen,” zegt Berend-Jan de Vries, coördinator veelplegers van politiebureau Beursstraat. “Maar het werkt goed. Het vreemde is: ook toen Mo nog verslaafd was, kon je ook al met hem praten.” De medewerkers van het Leger des Heils, andere opvanghuizen en de Jellinek zien in hem een rolmodel: als je echt wilt, kijk maar, kun je een jarenlange verslaving achter je laten. Twee medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen (waar de Sociale Dienst in op is gegaan) droegen Mo zelfs voor als Amsterdammer van het Jaar, een verkiezing van Het Parool. ‘Mohamed werkt heel hard om veelplegers, zorgmijders en verslaafden bij hulpverlening en DWI te krijgen, zodat zij een inkomen, slaapplaats, dagbesteding etc. krijgen’, schreven Jan Wegman en Alex Kentie. Mo behoorde niet tot de genomineerden, maar in de binnenstad maakt dat geen verschil: iedereen die met Mohamed Bakayan werkt, loopt met hem weg. Op een dinsdagmiddag zitten Wegman en Kentie achter een grote tafel op de eerste verdieping van opvanghuis De Gastenburgh, samen met politieman De Vries en Jan Ottens van de GGD. Hun laptops staan open geklapt, een lijst met namen ligt ernaast. Mannen die Mo heeft binnengesleept en een voor een naar boven brengt. Bekende gezichten. Zo kwam de 27-jarige Hassan vorig jaar 37 keer in aanraking met de politie, vooral voor het verkopen van nepdrugs. Hij heeft het helemaal gehad met zijn verslaving, zegt hij, en gaat ermee akkoord stante pede naar de detox-afdeling van de Jellinek te vertrekken. Mo schrijft een taxibon uit en brengt hem naar de standplaats op de Nieuwmarkt. Een veertigjarige Indische man waar het stilaan wat beter mee gaat, wil de volgende ochtend (“Niet om acht uur, hè?”) best eens kijken of fietsen repareren wat voor hem is. Maar een derde jongen, ook een dealer in nepcoke, lijkt alleen aangeschoven voor het binnenhengelen van een uitkering. De goede adviezen (“Als je zo doorgaat, ga je de ISD in”, twee jaar opgesloten in de Inrichting Stelselmatige Daders) blijven zweven boven tafel. “Die moet eerst nog een paar keer flink op zijn bek gaan,” zegt Mo, als hij is vertrokken. Dit is de zachte kant van de overlastaanpak in de binnenstad. Er zijn twee wegen: die van afkicken, stoppen met dealen, een plek om te wonen en een baan – via een kluwen aan instellingen. Of de justitiële weg, die van ‘stapelen’, waarbij de politie alle kleine vergrijpen bij elkaar optelt en ze als pakket voor de rechter brengt. Elke dinsdagmiddag worden bezoekers van de Gastenburgh de keuze voorgelegd. Wie tekent voor een uitkering, tekent voor het stoppen met dealen. Wie vervolgens toch wordt betrapt, staat niet zo sterk voor de rechter. Vreemd genoeg bestaat de gezamenlijke aanpak pas enkele jaren. En daarbinnen fungeert Mo, samen met zijn vier collega’s van Veldwerk Amsterdam, als frontsoldaat. Erg handig, iemand die ‘de doelgroep’ op zijn duimpje kent, hun taal spreekt. Hij geeft vaak een eurootje weg, soms een tientje. “Maar dan wel op voorwaarde dat iemand met me meegaat.” De afgelopen jaren is de overlast in de binnenstad fors afgenomen, aldus de politie. Er lopen nu zo’n driehonderd mannen – vooral mannen – die als veelpleger worden aangemerkt. Een paar jaar geleden waren het er nog zeshonderd.

Toch blijft Amsterdam een magneet voor verslaafden, aan lager wal geraakten en gelukzoekers die het niet altijd vinden. “De laatste jaren zie je veel Polen en andere Oost-Europeanen,” zegt Mo, als hij op een ochtend naar opvanghuis De Haven bij de Nieuwezijds Voorburgwal loopt om een Somalische alcoholist op te halen. “We kopen een ticket en proberen ze zo snel mogelijk op een Eurolines-bus te zetten. Voor onze Amsterdamse jongens is er anders geen plek meer.” Ali, de Somaliër, wil hij wel helpen. Hij is al zestien jaar in Nederland, eerst in Dordrecht, maar toen het misging kwam hij naar Amsterdam, zegt hij, nadat hij een diepe schaafwond op zijn been heeft laten zien. “Gisteren gevallen.” Hij steekt waggelend over, een scherpe alcoholwalm voor hem uit. Elf uur in de ochtend en Ali heeft al vier blikken bier op. “Anders kan ik niet opstaan.” Mo zet hem achterop zijn scooter en rijdt Ali naar de Jellinek, aan de Weteringschans, waar hij een mentor krijgt toegewezen. “Afkicken, klaar, stoppen,” zegt Ali. Natuurlijk, is de kans groot dat het niet lukt, of dat hij later weer terugvalt, zegt Mo, eenmaal buiten. “Als ik op straat tegen tien mensen zeg dat ze me moeten bellen, belt er ook maar eentje. Maar sommigen willen het echt en dan kan het lukken. Ik ben niet de enige die er helemaal uit is gekomen.” De levensverhalen kent hij meestal niet, zelfs niet van mannen waarmee hij tien jaar heeft zitten basen. Daar praat je niet over. “Ik wil het ook niet weten. Toen ik net aan dit werk was begonnen, sliep ik er slecht van. Ik hou het zakelijk. Ik doe alles om mensen ergens onder te brengen, maar als me dat is gelukt, laat ik ze los.”
Dat is niet helemaal waar: de hele dag door is Mo aan het bellen en regelen. “Je kunt nu je doekoe ophalen in de Jan van Galenstraat.” Of, tegen een instelling: “Vergeet die opleiding even, daar is hij nog helemaal niet aan toe. Eerst onderdak en een uitkering. Alles op zijn tijd.” Op een waterkoude vrijdagnacht ligt een verwaarloosde man op een bankje bij de Zuiderkerk. Mo schudt hem wakker. “Gaat het?” “Het kan beter.” “Het kan ook slechter…. Hé, ik ken jou, jij bent die Zuid-Afrikaan die altijd bij de Hortus slaapt.” “Hai Mo.”
Onder die postbussen daar plakken dealers hun handelswaar, zodat ze niet meer dan een halve gram op zak hebben en niet opgepakt kunnen worden. Het pleintje achter de bakker is de vaste stek van een groep oudere dronkaards. En de zorgwekkende zorgmijder meneer Riethof slaapt onder de brug bij het Scheepvaartmuseum – Mo weet alles. “Die Zuid-Amerikanen op de Nieuwmarkt maken vijf- a tienduizend euro per maand. Ja, dan neem je een paar maanden zitten wel op de koop toe.” Een relatief nieuwe hangplek is wetenschapscentrum Nemo, waar vrijdagnacht zeven junken voor de uitgang hangen als Mo op zijn Vespa aankomt, onder wie een Surinaamse man die ervoor heeft getekend niet meer te dealen. “Fawaka, alle sani boeng?” “Ja, Mo, ik ben al weg.” Anderen geeft hij een hand. “Kom dinsdag naar de Gastenburgh.” Later reinigt hij zijn handen met een ontsmettingsmiddel dat hij altijd op zak heeft. “Misschien ben ik immuun geworden, maar die gasten kunnen zomaar iets hebben.” Nee, hij hoort er niet meer bij. Voelt hij zich geen verrader? “Ze moesten in het begin aan mijn nieuwe rol wennen, scholden me wel eens uit. Nu niet meer. Ik ben er toch voor hun. Nog steeds een dealer, maar nu in zorg.”

Apart Kader
Toen een jonge Mohamed Bakayan op de Don Boscoschool aan de Polderweg (Oost) een keer gymles had, wist hij de kleedkamer van de gymleraar binnen te dringen en diens portemonnee te stelen. “Het was 125 gulden, ik weet het nog goed.” De gymleraar was Sparta-voetballer Louis van Gaal. “Ik was een etter vroeger,” zegt Mo, met gevoel voor understatement. Zijn ouders vertrokken veertig jaar geleden vanuit het Marokkaanse Rifgebergte naar Europa, om via Parijs in de Amsterdamse Transvaalbuurt te belanden. Mohamed, de oudste van zes kinderen, nog geboren in Marokko, was al snel onhandelbaar. “Waarschijnlijk was ik gefrustreerd. Ik mocht niks van die ouwe, niet voetballen, niet mee op schoolreisjes, maar moest wel voortdurend naar koranles, waar ik een gruwelijke pesthekel aan had. Altijd ruzie.” Hij hing op straat met Nederlandse en Surinaamse vrienden, brak op zijn twaalfde in bij zijn lagere school, woonde tijdelijk in opvanghuizen, begon met hasj en trok de stad in om auto’s open te breken en brommers te stelen. Toen hij, na van de Don Bosco te zijn gestuurd, ook de LTS aan het Timorplein moest verlaten, stuurde zijn vader hem op zestienjarige leeftijd terug naar Marokko, bij familie. “Daar wordt veel hennep verbouwd. Ik ben twee jaar lang stoned geweest. Al heb ik er ook Marokkaans-Arabisch geleerd.” Terug aan het Timorplein ging het snel weer mis. Mo kwam vast te zitten vanwege straatroof. “Ik liep altijd met een mes of schroevendraaier op zak en hield soms gewoon iemand aan: “Geef me je geld, nu!” Hij belandde op de Wallen, als verkoper van bolletjes en oplichter van toeristen. En als gebruiker. Zeventien jaar was Mo verslaafd aan coke – vooral roken. “Achteraf begrijp ik niet hoe ik het heb volgehouden. Soms haalde ik een week door, zonder te slapen.” Als er aan het eind van zo’n week, op een dinsdagochtend, geen toeristen meer waren, maar de honger naar drugs was nog niet gestild, werd hij gevaarlijk, moest hij gaan roven, al zegt hij nooit wapens te hebben gebruikt. “Verder heb ik alles gedaan.” Mo was vooral bedreven in het aanknopen van contacten met toeristen die wilden scoren. Soms drogeerde hij ze met Rohypnol, om ze vervolgens te ‘stofzuigen’. Toen hij eind 2003 voor twee jaar werd opgesloten in de Bijlmerbajes, kwam na een half jaar de omslag. “Ik kan het niet verklaren, het gebeurde gewoon. Ik wilde het niet meer.” Zo gedreven als hij was op straat, zo gedreven is hij in zijn nieuwe leven. Hij meldde zich aan bij voetbalsclub JOS, waar hij inmiddels in Veteranen 1 speelt en na het behalen van twee KNVB-diploma’s hoofdtrainer is van de F’jes, werkte overdag in de bouw en keerde ’s avonds terug naar de bajes. Sinds twee jaar werkt hij voor Veldwerk Amsterdam, in opdracht van de GGD. Zijn jarenlange verslaving kostte hem zijn gebit, liet wat harde trekken achter in zijn gezicht, maar lichamelijk is hij in orde. “Geestelijk voel ik me ook prima, al heb ik wel eens het gevoel dat ik niet op een woord kan komen.” Anderen hebben dat gevoel nooit. Mo is een makkelijke prater, in vet Amsterdams. Met zijn familie heeft hij weer contact. Zijn zoontje kan hij sinds kort, na rechterlijke bemiddeling, weer zien. Inmiddels heeft Mo een nieuwe vriendin met wie hij samenwoont. “Ik had voor me zelf drie doelen gesteld: werken, wonen en een vriendin. Het gaat beter dan verwacht.” Hij maakt soms een wat onrustige indruk. Maar verlangen naar drugs doet hij niet meer. “ Er zijn andere ex-verslaafden die beginnen te zweten en trek krijgen als ze op bekend terrein komen. Ik ben er elke dag, in mijn oude buurtje. Door mijn werk zie ik nu goed wat het met anderen doet. Een biertje op zijn tijd, daar hou ik het bij.”