Tadalafil is een geneesmiddel met orale viagra kopen fok Door seksuele gezondheid bedoelen we goede seksuele capaciteit. Het lichaam en het hoofd viagra bestellen docmorris Het Amerikaanse Bureau voor voedsel- en dwelmadministratie van viagra bestellen ideal Inademing van Damiana-infusie is een van de normale geneesmiddelen voor frisheid bij vrouwen. Het goede viagra kopen forum De titel penispomp zelf geeft aan dat het een hulpmiddel viagra kopen discreet Er zijn echter enkele factoren die kunnen leiden om de viagra aankoop Dit kan een probleem zijn die gemeenschappelijk is. De meeste mannen hoeven alleen viagra bestellen eindhoven Er zijn verschillende mannelijke verbeteringssupplementen beschikbaar in de markt, maar er moet gewoon een viagra 100mg online Hoe dat precies is, is dat uw arts of huisarts u een band viagra kamagra kopen Om ervoor te zorgen dat het gemakkelijk zou viagra 75 mg

 

Geschiedenis drugshandel Amsterdam

3.2. De drugshandel

Het drugsbeleid wordt in Nederland niet alleen gemaakt op het niveau van het rijk. De afzonderlijke gemeenten ontwikkelen binnen landelijke kaders ook hun eigen beleid. De nationale wetgevingsprocedure is log en tijdrovend, de speelruimte van de centrale overheid wordt door de internationale verdragen beperkt. Maar op het niveau van de gemeenten, waar men daadwerkelijk wordt geconfronteerd met overlast in de buurt en met de vraag om medische en andere hulp, is het mogelijk om flexibel en pragmatisch te werk te gaan. Het opportuniteitsbeginsel vormt de basis waarop binnen het zogenaamde driehoeksoverleg beslissingen kunnen worden genomen die zulk een werkwijze mogelijk maken. Maar ook de financiering van de drugshulpverlening wordt als beleidsinstrument gebruikt. Amsterdam liep in de jaren zestig voorop met het feitelijk gedogen van het gebruik van hash en marihuana. Er kwamen coffeeshops waar zogenaamde huisdealers werden toegelaten. Andere grote steden volgden. Zo werd het beleid dat in de grote steden was ontwikkeld, langzamerhand verheven tot nationaal beleid. Een belangrijke pijler daarvan is dat een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen hard en soft drugs. Het is een verschil dat buitenlanders vaak ontgaat, maar door het beleid op dit verschil af te stemmen, wordt geprobeerd de circuits van beide gebruikerscategorieën te scheiden. Dat is goed gelukt. Een andere pijler waarop het Nederlandse beleid is gebaseerd, is het onderscheid tussen het gebruik van drugs en de handel daarin. Dit onderscheid is gebaseerd op de acceptatie van een gebruikersmarkt die in wezen goedmoedig is en een uitvloeisel van de «vrije» jaren zestig. Hier openbaart zich echter ook volop de tegenstrijdigheid van het gevoerde beleid: de handel in een goed waarvan het gebruik wordt toegestaan, wordt fel bestreden.

Hoe dan ook, ook Amsterdam maakte zijn eigen drugsbeleid en legde de uitgangspunten hiervan in 1992 nog weer eens neer in een officiële publikatie: Het Amsterdamse drugsbeleid. Het bestaat uit een mengsel van preventieve en ontmoedigende maatregelen, alsmede een gesorteerd aanbod van hulp. Er is een methadon-programma, een Aids-preventiebeleid, er is een veelheid van projecten die zich richten tot speciale categorieën gebruikers (straatjunks, heroïneprostituées, etcetera). En opmerkelijk is ook dat het Amsterdamse beleid wordt gedragen door veel wetenschappelijk onderzoek (waarbij het Instituut voor Sociale Geografie van de Universiteit van Amsterdam zich onderscheidt). De studies over drugsgebruik zijn hier niet onmiddellijk van belang, die over de handel zijn dat wel. Vooral Korf en De Kort (1990) en Korf en Verbraeck (1993), verbonden aan het Criminologisch Instituut «Bonger» van de zelfde universiteit, hebben onderzoek hiernaar gedaan. Hun publikaties zijn hier zeer bruikbaar.

3.2.1. Amsterdam: een wereldmarkt voor verdovende middelen

De Nederlandse consumentenmarkt bestaat volgens de Amsterdamse drugsexpert August de Loor op grond van zijn ervaringskennis uit 700.000 Nederlanders die regelmatig hash of marihuana roken, 200.000 regelmatige amfetaminegebruikers, 200.000 cokesnuivers, 200.000 XTC-pillenslikkers en 10 à 15.000 heroïne-gebruikers. Wat zulke aantallen precies waard zijn is altijd moeilijk vast te stellen bij een produkt dat niet legaal is, maar zij geven in ieder geval iets aan van de orde van grootte. Daarbij moeten de vele drugstoeristen worden geteld die speciaal naar Nederland komen om drugs te kopen of die ze tijdens hun vakantie eens proberen. De consumentenpopulatie is compleet als daar nog eens de grote buitenlandse klantenkring (voornamelijk in België, Frankrijk, Spanje, Italië, Duitsland, Engeland, Scandinavië, Oost-Europa, de Verenigde Staten en Canada) wordt bijgeteld. Boekhoorn en anderen (1995) schatten de huidige jaaromzet van cannabis voor binnenlandse consumptie op 0,8 miljard, de opbrengst van de export op 1,8 miljard, die van de doorvoerhandel op 3,9 miljard en die van de internationale handel die buiten Nederland omgaat op 12,5 miljard gulden. De totale jaaromzet aan cannabis voor heel Nederland is daarmee 19 miljard gulden. Als hier de opbrengst van de handel in alle andere drugs nog eens bij wordt geteld, wordt dit bedrag nog veel hoger. Handel in drugs vormt een van de belangrijkste en snelst groeiende sectoren van de Nederlandse economie. Amsterdam neemt van deze handel een deel voor haar rekening dat haar relatieve grootte ver te boven gaat. De prevalentiecijfers (aantal drugsgebruikers per 100 of 1.000 inwoners) zijn in Amsterdam in alle metingen hoger dan gemiddeld in Nederland. Op grond van een enquête onder de Amsterdamse bevolking van 12 jaar en ouder in 1990, stelden Sandwijk, Cohen en Musterd (1991) dat een kwart van deze populatie wel eens cannabis heeft gebruikt, ruim 5% cocaïne, 4% amfetamine en 1,3% XTC-pillen. Een betere maat om de omvang van de markt te bepalen is evenwel de prevalentie per maand. Cohen vond in een recente en nog niet
gepubliceerde steekproef van 4.000 Amsterdamse respondenten van twaalf jaar en ouder een prevalentie van 6,8% voor cannabis in 1994. Korf en Verbraeck (1993: 233) voegden daar op grond van hun eigen onderzoek nog eens 4.000 heroïneverslaafden aan toe. In kringen van het Amsterdamse stadsbestuur circuleert een totaalcijfer van 7.000 verslaafden.

Een belangrijk deel van deze consumenten doet aan zelfvoorziening. Zij continueren het initiatief van de experimentele gebruikers uit de jaren zestig en zeventig. Cannabis namen dezen mee van vakantie of zij maakten daarvoor regelmatig tochtjes. Cocaïne werd in kleine hoeveelheden meegenomen door zeelieden uit Zuid-Amerika. Heroïne werd gebruikt door Chinese opiumschuivers en enkele Hollanders. Nu zijn er nog steeds van zulke gebruikers die in hun eigen behoefte voorzien via dealers waar zij al jarenlang contact mee hebben en die, al naar gelang de voorkeur van hun klanten, bepaalde bronlanden bezoeken. Het gebruik van drugs door deze groep is «genormaliseerd» (Grund, 1993). Zij betrekken hun dope ook wel van bekende handelaren op vaste plaatsen in de stad (Grapendaal, Leuw en Nelen, 1991). Deze cultuur van zelfvoorziening is verreweg het minst van alle vercommercialiseerd. Voor deze toestand is het Nederlandse drugsbeleid eigenlijk ontworpen. Maar ondertussen is de situatie sterk veranderd. Thans bestaat de zelfvoorziening vooral in de teelt van nederwiet. In 1993 heeft de CRI zelfs alarm geslagen over de opkomst van grootschalige teelt van hennepprodukten op het Nederlandse platteland. De dienst schatte de jaaropbrengst toen al op 20 ton en daarmee was hennep het snelst groeiende Nederlandse commerciële produkt! Jansen (1993) rekende op grond van een eigen enquête voor dat er nog eens een even grote produktie wordt gehaald door talloze kleine «binnentelers» voor eigen gebruik. Hij schatte de totale Nederlandse nederwiet-produktie op 40 ton per jaar en becijferde dat de explosieve groei van dit nieuwe produkt een importsubstitutie moet opleveren van maar liefst een half miljard gulden per jaar. Het antwoord op de vraag: waarom juist in Nederland de teelt van een nieuw, zeer hoogwaardig produkt zo’n hoge vlucht nam, luidt: omdat zij wordt gedragen door een belangrijke sector van de legale economie. Nederland staat in de wereld bovenaan met de ontwikkeling van tuinbouw-technieken. En de teelt van nederwiet is gaan floreren toen deze aparte vrucht van landbouwonderzoek te koop werd aangeboden in winkels voor tuindersbenodigdheden. Jansen noemde nederwiet dan ook een «democratisch genotmiddel». Bij alle bekommernis over uit de hand gelopen drugsmisbruik, over overlast in de omgeving van coffeeshops en over angstwekkend gegroeide georganiseerde misdaad, moeten we niet vergeten dat deze aanzienlijke vorm van zelfvoorziening betrekkelijk probleemloos functioneert.

Een andere categorie van consumenten is aangewezen op de drugsdetaillisten. Dit zijn voor een deel Amsterdammers, maar verder ook Nederlandse kopers die van elders komen en zeker ook buitenlandse (drugs-)toeristen; de laatste groep komt af op de betere Nederlandse kwaliteit en de lage prijzen. De locatie van deze markt hangt af van de wijze waarop de overheid de handel in het betreffende middel tegemoet treedt. Nadat de heroïnecafés waren gesloten, werd de heroïne op straat verhandeld en in de beslotenheid van woonkamers, en dat geldt ook voor coke en amfetamine. De oude garde van Amsterdamse heroïnegebruikers vertelde aan Van Gemert (1988: 100) hoeveel prettiger het ooit was «toen de Chinezen nog in de handel zaten». Ze kwamen steevast tot de conclusie dat de Surinamers het verpest hadden (vergelijk de geschiedenis van de Surinamers op de Kop van de Zeedijk in § 3.2.3.2). Deze detailhandel is vrij uitgebreid, zit ingewikkeld in elkaar en levert een enorme werkgelegenheid op. Van Gemert die in het midden van de jaren tachtig de scene op de Zeedijk en in de Damstraat observeerde, stelde vast dat daar hashdealers rondlopen, maar ook heroïnedealers, cokedealers, speeddealers, tripsdealers, loopjongens, pillenverkopers, tussendealers, pakjesdragers, dopeverkopers, wachtposten, etcetera. Grapendaal et al.(1991) signaleerden ook nog een bijzondere functie ten behoeve van buitenlandse klanten: makelaars. De donkere stegen die uitkomen op de Zeedijk en zeker ook de scene op de Gelderse kade zijn voor onbekenden zo bedreigend dat zij de meer open en verlichte Oude Hoogstraat (met «de pillenbrug») opzoeken. Daar laten zij zich door makelaars begeleiden die ervoor zorgen dat de klanten niet worden bestolen.

De meeste detailhandel in drugs vindt duidelijk en overzichtelijk plaats in de coffeeshops waar hash en marihuana worden verkocht. Vanaf het einde van de jaren zeventig, toen als gevolg van het Amsterdamse gedoogbeleid de cannabishandel de winkel in kon gaan (de eerste coffeeshop met dezelfde naam aan het Rusland geldt als «de moeder van alle coffeeshops»), is hun aantal explosief gegroeid. In de binnenstad van Amsterdam groeide hun aantal van 10 in 1980 tot ruim 350 in 1990; in 1994 werden er voor heel Amsterdam in totaal 452 zaken geteld waar soft drugs waren te verkrijgen (Bieleman et al., 1995). Coffeeshops vormden een tijd lang zelfs veruit het sterkst groeiende segment van de horeca. De concurrentie is echter groot en de opbrengsten zijn lang niet overal florissant. Jansen telde een eredivisie van 6 hele grote coffeeshops (of een keten zoals The Bulldog), 13 tot 16 middelgrote bedrijven en een heleboel kleine shops, die het hoofd slechts boven water kunnen houden door de nevenverdiensten van een speel- of gokautomaat, of door ook alcohol te verkopen. De allergrootste shops dateren nog uit de beginjaren van deze detailhandel en dat wijst aan de top althans op een stabiele marktordening. Is deze geforceerd of natuurlijk? In het hoofdstuk over de horeca (§ 4.2) gaan we daar nader op in. De coffeeshops worden gedoogd wanneer zij geen verkoop in hard drugs toelaten
en dat heeft in het begin van de jaren tachtig aanleiding gegeven tot «harde acties» (van zogenaamde afsmijters) binnen de branche zelf om ze van hard drugs vrij te maken. Ook de politie waakt voortdurend over deze scheiding van de circuits van hard en soft drugs (die immers de kern vormt van de Hollandse aanpak), maar zij treft bij de vele controles bijna nooit hard drugs aan. Toch is het niet zo gek te veronderstellen dat juist de onderste laag van de coffeeshops door uitbreiding van het aanbod met hard drugs probeert te overleven. Maar nogmaals: die worden weinig gevonden. De vele coffeeshops laten overigens met hun variatie aan namen heel goed zien welke uiteenlopende subculturen in de wereld van de cannabisgebruikers worden aangetroffen: romantische verwijzingen naar de jaren zestig (Aquarius, Flower Power); het etnische circuit (Deniz, Arzum, Sheba); de Amerikaanse scene (Speak Easy, Hard Rock Cafe, Miami Split); het gevoel van uitzinnigheid (Big Fun, Dutch Delight, Starlight); het kunstatelier (Karel Appel, Picasso); kinderlijk uitdagend (Zwabbertje, Smoosie, Whoopi, ‘t Kereltje). De verscheidenheid van stijlen doet de buitenstaander ook versteld staan: trendy, hippie, hard rock, chic, Turks, India-look, USA-look, acid house, Surinaams, Postmodern, Rasta, Afro. En er is natuurlijk ook de buurtcoffeeshop.

De coffeeshops staan niettemin voortdurend onder verdenking. Niet alleen zou er ook coke worden verhandeld, er komen eveneens klachten van buurtbewoners over overlast. Verder zouden de coffeeshops zich bezig houden met de export van drugs. En verkopen zij drugs aan minderjarigen? De hulpverleners spreken daarenboven over een toenemend aantal hashverslaafden. In een brief van de Amsterdamse politie d.d. 30 november 1987 worden voor het eerst de voorwaarden genoemd die vanaf 1992 landelijk te boek staan als de zogenaamde AHOJ-G-criteria. Er wordt niet vervolgd als er geen openlijke reclame wordt gemaakt, als er geen hard drugs worden aangeboden, als de openbare orde niet wordt verstoord en als jongeren onder de 16 jaar de toegang wordt geweigerd. De coffeeshops kunnen worden aangepakt op grond van een leefmilieuverordening en daartoe kan thans de burgemeester besluiten zonder tussenkomst van justitie. Op last van de burgemeester zijn in 1990 op zulke gronden al 38 coffeeshops gesloten, in 1991 26 stuks, in 1992 46 en in 1993 48. Het effect daarvan is per saldo dat nu nog maar 200 coffeeshops over zijn en blijkens een nota van de burgemeester van maart 1995 ligt het inderdaad in de bedoeling dat aantal tot minder dan 200 terug te dringen. August de Loor, directeur van het Adviesbureau Drugs, bracht in 1994 verslag uit van zijn rondgang langs 115 coffeeshops. Bestaat er werkelijk reden om de branche als geheel in een kwaad daglicht te stellen? De Loor vond het Amsterdamse politieoptreden zwaar overdreven en gaf een somtijds idyllische beschrijving van het interieur en de sfeer die hij in tal van aardige etablissementen aantrof. Zeker, er waren problemen, maar de door hem bezochte zaken hielden zich doorgaans voorbeeldig aan de gestelde eisen (De Loor, 1994). Zou het kunnen zijn dat ook andere motieven meespelen om ze te sluiten dan de overlast op straat, etcetera? Bijvoorbeeld de aanwezigheid van georganiseerde misdaad? De coffeeshop-eigenaren, althans een klein deel daarvan (100 van de in totaal 1.500 in Nederland), heeft zich verenigd in de Bond voor Cannabis Detaillisten met de bedoeling zich van het criminele odium te ontdoen en een pressure group op te bouwen die het sluiten van de coffeeshops tegen zal gaan. In een verklaring (Het Parool 15.1.1994) wijst deze bond er fijntjes op dat met het agressieve sluitingsbeleid van de Amsterdamse gemeente de werkgelegenheid van 5.000 tot 10.000 mensen in gevaar komt. Hij stelt het gemeentebestuur voor hetzelfde dilemma als de burgemeester van Napels die er toch maar vanaf zag om de straatverkopers van ongebanderolleerde sigaretten aan te pakken omdat dit tienduizenden mensen werkloos zou maken.

De groothandel in drugs is, welhaast per definitie, geheel in handen van de georganiseerde misdaad. Gebruik van drugs wordt immers tot een zeker quantum gedoogd, terwijl de handel daarin hard wordt aangepakt. Als we georganiseerde criminaliteit definiëren als handel in illegale goederen, dan hoort de internationale drugshandel daar dus zonder meer toe. En nu de handel op dit niveau niet door de overheid kan worden gereguleerd, gebeurt dat door «het milieu» zelf. De groothandel in drugs is dan ook een wereld vol list, bedrog en geweld. En hiermee wordt aan het tweede vereiste in onze definitie voldaan om de coke- en heroïne-importeurs, de hashboeren en de pillen- en speedfabrikanten, zonder meer te kwalificeren als plegers van georganiseerde misdaad. Maar waarom heeft Amsterdam zich dan ontwikkeld tot een wereldmarkt voor verdovende middelen, althans een markt waarop «heel de wereld» zaken komt doen? Afgezien van het gevoerde beleid is het natuurlijk zo dat de verkeersgeografische ligging van de stad haar geschikt maakt om niet alleen een centrum te vormen van detailhandel, maar ook van import en distributie van grote partijen. Door de zeehaven en de luchthaven alsmede het uitstekende wegennet is Amsterdam verbonden met de hele wereld. Een deel van de internationale drugstransporten wordt zelfs vanuit Amsterdam geregeld zonder dat deze Nederland aandoen. Voor de drugs die wel het land worden binnengebracht zijn er loodsen, kantoren, fabriekshallen voorhanden om de zaak op te slaan. Deze ruimten bevinden zich in de zones van de stad die we in §.2.1 bij de topografie leerden kennen. Ze zijn evenwel ook te vinden in kleinere steden en dorpen in de wijde omtrek van Amsterdam. Verder heeft de stad de grootste en meest gevarieerde immigrantenbevolking van Nederland en herbergt in haar boezem infrastructuren die voor controle-instanties ondoorzichtig en lastig doordringbaar zijn en waarlangs zowel de groothandel in drugs als de verdere distributie ervan vrij ongemerkt kunnen verlopen. Voor de oorspronkelijke Amsterdamse handelaren is vooral de groothandel in hash nog steeds
van belang. Thans is evenwel ook de fabricage van synthetische drugs in opkomst. Korf en Verbraeck (1993) konden met hun interviews in het Amsterdamse cannabismilieu tot het middenniveau in de handel komen en troffen daar enkele overblijvenden aan van de flower power-periode, wat oude penose (soms reeds geruime tijd gepensioneerd), nieuwe zakenlieden, ondernemers met een flink strafblad en twintigers die zich toeleggen op de teelt van marihuana. Deze indeling is een beetje raar, maar het geeft aan dat we op dit niveau van handel met een bont gezelschap te maken hebben. De XTC-handelaren die ze ondervroegen, waren ook allemaal van oorsprong Nederlanders. Ze waren jonger dan de handelaren in cannabis en het viel op dat de meesten een goede opleiding hadden genoten.

3.2.2. De rol van Nederlandse drugshandelaren

Wanneer men zich nu een beeld wil vormen van Nederlandse groepen die vanuit Amsterdam een min of meer belangrijke rol spelen in de internationale drugshandel, dan is het niet mogelijk die hier in de volle omvang te schetsen. De reden hiervan is dat in de voorbije jaren geen energie is gestopt in zulk een algemene analyse van de toestand. Er is prioriteit gegeven aan het onderzoek van slechts enkele van de groepen die in dit verband een vooraanstaande positie innemen. Maar ook die kunnen niet allemaal volledig in beeld worden gebracht.

Hierna zal eerst een beeld worden geschetst van de bedrijvigheid van twee Amsterdamse groepen die zich vooral na de dood van Bruinsma duidelijk hebben geprofileerd als belangrijke medespelers op de internationale drugsmarkt in de stad. In zekere zin gaat het hier om gewone criminele groepen: hun voornaamste doel was/is niet meer en niet minder dan om zoveel mogelijk munt te slaan uit hun illegale activiteit en dus probe(e)r(d)en zij deze activiteit zo groot en zo goed mogelijk te organiseren. Een ander doel was/is er niet, laat staan dat er een hele bijzondere organisatie voor werd opgebouwd. Hierin onderscheiden zij zich dan ook van de derde groep die hierna apart zal worden besproken: de Hells Angels. In het landelijke rapport over de rol van autochtone groepen in de georganiseerde criminaliteit van Nederland wordt uitvoerig belicht waarom in dit verband niet om de Hells Angels heen kan worden gegaan. Gewoon omdat deze beweging met name in Noord-Amerika een, op zijn zachtst gezegd, opmerkelijke rol speelt in het bedrijven van georganiseerde criminaliteit. Maar men verlieze ook niet uit het oog dat in de Amsterdamse Randstad-inventarisatie uit 1991 deze beweging ook reeds werd gedefinieerd als een harde kern van georganiseerde criminaliteit. En dus ligt het voor de hand om, zeker waar het Amsterdamse chapter van de Hells Angels functioneert als de spil van deze beweging in Europa, te bekijken in hoeverre ook deze afdeling betrokken is bij de organisatie van drugshandel, de toepassing van protectie, etcetera. Overigens zij bij het vorenstaande aangetekend dat de twee «gewone» Amsterdamse groepen, waarvan eerder sprake was, óók figureren in het algemene rapport in deze serie over de rol van autochtone groepen in de Nederlandse georganiseerde criminaliteit. In dat rapport wordt de beschrijving van hun organisatie en werking gebruikt als een middel om de top van de (autochtone) georganiseerde criminaliteit in Nederland zo concreet mogelijk in beeld te brengen.

3.2.2.1. De drugsgroothandel: een algemene typering
De Hollandse drugsgroothandel in Amsterdam valt niet via de beschrijving van één enkele criminele groep te typeren. Daarvoor zijn de verschillen tussen de betrokken groepen te groot. Om deze reden is er hier voor gekozen om twee groepen als het ware tegen elkaar af te zetten: één die in dit verband tot de kleinere groepen moet worden gerekend (A) en één die tot de grootste behoort die in dit verband in Nederland actief zijn (B). Zo kunnen niet alleen de verschillen tussen deze twee groepen scherper worden gemarkeerd, maar worden als het ware ook de uiteinden van een continuüm in beeld gebracht waarop al die andere Amsterdamse groothandelsgroepen zouden kunnen worden gepositioneerd. Overigens kan – om misverstanden te voorkomen – worden opgemerkt dat groep A in het landelijke rapport over autochtone criminele groepen wordt aangemerkt als een enkelvoudige drugsgroothandelsgroep en groep B als een meervoudige drugsgroothandelsgroep. 3.2.2.1.1. De organisatie van de groepen

Kijken we eerst naar de organisatie van de beide groepen. Wat zien we dan in grote lijnen? Groep A wordt duidelijk geleid door één man. Maar deze kan voor de organisatie van zijn drugstransporten uit (Noord-)Afrika en Zuid-Europa, voor de opslag en distributie van de grote(re) partijen in Nederland, voor de afwikkeling van de bijbehorende financiële kwesties, etcetera rekenen op de medewerking van zo’n vijf personen; speciaal voor de oplossing van meer gecompliceerde financiële vraagstukken doet hij desnoods beroep op één of meer specialisten/geldschieters. Verder telt de inner circle nog één à twee figuren die, omdat
zij veelvuldig in de buurt van «de baas» vertoeven, ook belangrijk lijken te zijn, maar in wezen zijn zij niet meer dan klusjesmannen en boodschappenjongens. Om de import, doorvoer, distributie en afrekening van partijen drugs daadwerkelijk te realiseren, heeft zich rond de harde kern gaandeweg een vrij brede zoom van allerlei kleine ondernemers en vakkundige, maar ook ongekwalificeerde handlangers gevormd, alles bij elkaar misschien zo’n 30 à 40 man. Hierbij moet zeker worden gedacht aan een vijftal transporteurs, die zonodig ook loodsen en vrachtwagens bij andere bedrijven kunnen versieren, twee figuren die zowel in wagens als in panden stashes kunnen fabriceren, en aan drie vechtjassen die naar onwillige klanten als incasseerders optreden. Maar tot deze brede kring van personen kunnen ook worden gerekend: op afroep beschikbare vrachtwagenchauffeurs, mensen die zowel in Nederland als in het buitenland bij de afnemers het geld ophalen, en figuren die weten waar en hoe de inkomsten nog veilig kunnen worden gewisseld in de benodigde valuta en eventueel weggesluisd naar banken elders in de wereld. Overigens wordt gezegd dat de groep in kwestie voor de financiering van echt grote partijen soms ook terugvalt op (een van) de allergrootste drugshandelaren van Nederland. Zoals zij in een aantal andere gevallen de financiële risico’s spreidt door een (allochtone) criminele groep die nog roots in het belangrijkste bronland heeft, te laten participeren in de onderneming.

Natuurlijk wordt deze groep samengehouden door het economische belang dat al haar leden – de een natuurlijk meer dan de ander – hebben bij de illegale handel die wordt bedreven. Maar daar blijft het ook in dit geval niet bij. In de eerste plaats niet omdat er tussen ettelijke sleutelfiguren in de groep familiale relaties bestaan, zodat er als vanzelf sprake is van een zekere sociale loyaliteit ten opzichte van elkaar. In de tweede plaats niet omdat er door de groepsleiding duidelijk met sancties wordt gewerkt. Zo werd een van de transporteurs die wilde stoppen, er met geweld van afgehouden om dit te doen. Maar ook toen een van de handlangers van de allochtone compagnons dacht dat hij met een loos praatje over een rip-deal een deel van een partij stiekem achterover kon drukken, werd er met zoveel (dreiging met) geweld tegen hem te keer gegaan, dat al snel het verschuldigde geldsbedrag alsnog op tafel kwam.

In vergelijking met deze groep A ziet groep B er in bepaalde opzichten heel anders uit. Om onderlinge verschillen – in termen van hun organisatie – kernachtig aan te duiden, zou ietwat overtrokken kunnen worden gesteld dat groep A in wezen niet meer voorstelt dan één van de 5, 6, 7 «werk-groepen» binnen groep B. Maar deze vergelijking gaat op bepaalde punten natuurlijk mank. Want essentiële taken in de sfeer van bijvoorbeeld de financiële huishouding en van de corruptieve relaties met overheden, worden vanzelfsprekend door de leiders van beide groepen zoveel mogelijk zelf behartigd. Maar welke zijn – naast deze gelijkenis – dan meer precies de verschillen die in dit verband spelen?

Zoals uit het voorgaande al kan worden opgemaakt, vormt groep B een veel omvangrijkere organisatie. Op het eerste oog komt dit verschil vooral tot uitdrukking in de aard en omvang van de «persoonlijke staf» van de man die algemeen wordt beschouwd als de topman van de hele organisatie. Het gaat in dit geval niet meer om één of twee klusjesmannen, maar ook om bodyguards, chauffeurs en beheerders van woningen en bedrijfspanden, alles bij elkaar zo’n man of tien. Belangrijker is echter de slechter zichtbare werkelijkheid hierachter, namelijk dat de man aan de top in grote lijnen de activiteiten van zo’n 5, 6, 7 «werk-groepen» – zoals ze hiervoor werden genoemd – regisseert. Hierbij gaat het om criminele groepen, in enkele gevallen beter getypeerd als cliques rondom één of twee aanvoerders, die weliswaar worden aangestuurd door de topman, maar binnen het grofweg aangegeven kader doen en laten wat ze willen, en daarbuiten ook best nog allerlei eigen handeltjes mogen drijven. Hun relatie tot de centrale voorman is dan ook per definitie diffuus en dus, zeker voor buitenstaanders, verwarrend. En dat houdt die man ook graag zo, denkt de politie. Want hoe ondoorzichtiger die verhouding is, des te moeilijker valt te bewijzen dat hij de grote man van de criminele organisatie is. Hij vermijdt dus zoveel mogelijk directe persoonlijke contacten met zijn aanvoerders en opereert het allerliefst ver achter de schermen. Hiermee bewerkstelligt hij als vanzelf – wat de leider van groep A ook doelbewust meer en meer is gaan nastreven – dat er materieel, en dus ook bewijsrechtelijk, een grote afstand bestaat tussen de strafbare feiten die daadwerkelijk worden gepleegd en zijn strategische rol bij het creëren van het kader dat het begaan van die misdaden mogelijk maakt. Overigens is het zo dat de onderscheiden cliques natuurlijk wel in grote lijnen van elkaar weten waar ze mee bezig zijn, maar in de dagelijkse praktijk vrij los van elkaar opereren. In het verlengde van deze laatste opmerking past het om erop te wijzen dat de bedoelde «werk-groepen» ieder voor zich, maar ook met z’n allen, een beroep kunnen doen op tal van kleinere bedrijven en grotere figuren om hun klussen te klaren. En omdat het ook hier vóór alles om drugshandel gaat, moet opnieuw worden gedacht om transportondernemingen, handelsfirma’s, koeriers, beheerders van opslagruimten, geldlopers, enzovoort. Al met al kan deze kring van mensen goed 100 tot 150 personen tellen. En de meer gespecialiseerde ondersteuning is navenant natuurlijk ook importanter dan die van groep A. Bij groep B praten we niet meer over de hulp van een enkele juridisch deskundige en verder wat incidentele contacten met andere raadgevers, maar over hechte relaties met bepaalde (advocaten- en notaris)kantoren, en daarnaast vaste connecties met o.a. een garagebedrijf, een reisbureau, een communicatiecentrum en de medische wereld. Dat dit voor een criminele organisatie die wereldwijd opereert allemaal vitale relaties en connecties zijn, behoeft geen betoog.
Verder is het ook bij groep B zo dat op beperkte schaal familiale relaties voor enige samenhang tussen sommige van de samenstellende delen zorgen, maar dat daarnaast – en natuurlijk naast het gemeenschappelijke economische belang – ook positieve en negatieve sancties als belangrijke bindmiddelen fungeren. Aan de ene kant worden loyale medestanders ruimhartig beloond en wordt er voor hun directe omgeving goed gezorgd wanneer ze in de problemen – lees: het politiebureau of de gevangenis – zitten. Aan de andere kant worden gebrek aan loyaliteit en dus zeker regelrechte tegenwerking met harde hand afgestraft. In dit geval blijft de afstraffing hiervan bij herhaling niet beperkt tot een min of meer ernstige mishandeling van de betrokkene, maar staat zij gelijk aan diens liquidatie. Een redelijke schatting van het aantal liquidaties dat in de voorbije (vijf) jaren door heel de organisatie heen is uitgevoerd, leidt tot het aantal van meer dan tien, zo goed als allemaal Nederlanders.

Tot slot is het niet overbodig om erop te wijzen dat de weinig doorzichtige structuur van de organisatie van beide groepen niet zonder meer als een zwak punt mag worden aangemerkt. Een dergelijke beoordeling van de situatie berust immers op een bureaucratische normstelling die voor criminele groepen helemaal niet geldig is. Zoals hiervoor al even werd aangehaald, is de ondoorzichtige opbouw van zulke groepen juist uitermate functioneel: zij vormt een belangrijke bescherming tegen doeltreffend overheidsoptreden. Daarenboven stelt hun flexibele organisatie criminele groepen in staat om heel snel in te spelen op veranderingen in hun omgeving – hetzij de markt waarop zij actief zijn, hetzij de overheid waartegen zij zich verzetten. En tenslotte vergroot een dergelijke organisatie enorm de mogelijkheden om snel en vertrouwelijk «kortsluiting» te maken met andere internationaal opererende criminele organisaties.

3.2.2.1.2. De werking van hun drugshandel
Groep A handelt hoofdzakelijk in hash. Die wordt in samenspraak met de allochtone compagnons rechtstreeks in het bronland opgehaald, dan wel in een voor haar wat veiliger land in de buurt. Partijen die voor landen als Canada en Engeland zijn bestemd, gaan hier rechtstreeks per schip naar toe. Partijen die voor de binnenlandse markt of voor de aangrenzende landen zijn bestemd, worden in Nederland op één of meer plaatsen verborgen. In Nederland worden delen van de partijen zo snel mogelijk – bij voorkeur met eigen vervoer – doorgestoten naar een vijf-tal netwerken van coffeeshops, geconcentreerd in het Westen van het land. Delen van partijen die voor Belgische, Duitse of Deense afnemers zijn bestemd, worden door toedoen van geroutineerde Nederlandse intermediairs zo snel mogelijk over de grens gebracht. Om het risico dat partijen door de overheid respectievelijk concurrerenten worden onderschept nog te verkleinen wordt er onder meer veelvuldig gewisseld van bewaarplaatsen en wordt er regelmatig gebruik gemaakt van huurauto’s. Het ligt overigens voor de hand dat de invoer en distributie van de hard drugs (heroïne) waarin de groep op veel kleinere schaal handelt, op een soortgelijke manier is georganiseerd. Er is wel sprake van dat de groep ook een beetje in de vuurwapenhandel zit, maar er is geen zicht op de manier waarop die eventueel in elkaar steekt. Groep B bedrijft de drugshandel – geografisch gezien – op een heel wat internationaler niveau dan groep A. In haar geval worden er geen zaken meer gedaan met, al bij al, één enkel land, maar zowel met landen in het Midden-Oosten en Azië als in Zuid-Amerika. De contacten met de leveranciers verlopen deels via hun vertegenwoordigers in Amsterdam, deels meer rechtstreeks met leden van de betrokken organisaties in de bronlanden zelf of elders in de wereld – hetzij in Europa, hetzij in de Verenigde Staten, hetzij in Zuid-Amerika. Het spreekt welhaast voor zichzelf dat een deel van de drugs, vooral hash en cocaïne, helemaal niet in Nederland terechtkomt maar direct wordt getransporteerd respectievelijk (in containers, tussen allerhande legale goederen in) wordt verstuurd naar de afnemers buiten Nederland. Een ander deel wordt wel naar Nederland overgebracht en vanuit allerlei bergplaatsen in en rond Amsterdam ofwel doorgevoerd naar de omringende landen ofwel doorgesluisd naar coffee-shops, ketens van coffeeshops, in eigen land. Een belangrijk verschil met groep A is evenwel dat groep B ook zelf beschikt over een aantal (horeca)gelegenheden waar drugs (kunnen) worden verhandeld. In haar geval is de verticale integratie van criminele activiteiten dus een hele stap verder gerealiseerd dan in het geval van groep A.

In aansluiting op het vorenstaande mag bij groep B natuurlijk niet de taalverdeling tussen de onderscheiden «werk-groepen» uit het oog worden verloren. Volgens kenners bestaat deze erin dat elk van deze groepen, cliques, één of meer van de «lijnen» in deze drugshandel verzorgt, of er in elk geval voor zorgt dat de afspraken die de topman met de leveranciers en de grote afnemers maakt, metterdaad worden uitgevoerd. En er dus voor zorgt dat de handel zo veilig mogelijk wordt ingeladen, vervoerd en afgeleverd. Fouten die in dit traject worden gemaakt en die verlies van partijen tot gevolg hebben, worden wel met geldstraffen beboet. Maar, zoals gezegd, de uitvoerende cliques werken niet alleen voor de topman, maar hebben de vrijheid ook voor eigen rekening te opereren. Om wat voor criminele activiteiten het hier allemaal gaat, is niet zo heel duidelijk. Voor een belangrijk deel houden zij echter ook verband met de drugshandel. Een van deze groepen speelt echter ook een belangrijke rol in de internationale wapenhandel. Dit is meer dan eens onomstotelijk vastgelegd. Niet toevallig is het ook deze groep waarbinnen een uiterst gewelddadig subcultuurtje tot
ontwikkeling is gekomen.
De omzet die groep A realiseert is zeker niet gering. Na aftrek van alle kosten resteert er op jaarbasis al vlug een vrije winst van 10 tot 20 miljoen gulden. Dit geld wordt voor een belangrijk deel geïnvesteerd in onroerend goed dat verder niets van doen heeft met welke vorm van illegale handel dan ook. Voor een ander belangrijk deel wordt het gestopt in de aankoop respectievelijk oprichting van enkele internationaal opererende bedrijven. Deze bedrijven liggen helemaal in de persoonlijke interessesfeer van de topman van de groep, maar worden ook gebruikt om de herkomst van drugsgelden te verdoezelen; wellicht zijn zij ook bedoeld als een investering voor de tijd dat de drugshandel niet meer aan de orde is. Soms worden met de behaalde winst ook wel echt buitenissige dingen gedaan, met name in het verre buitenland. Zoals de participatie in de financiering van een belangrijk evenement en de verschaffing van een hoge lening tegen woekerrente. Met weinig succes overigens: in beide gevallen werd het geld verspeeld; de prijs die een nouveau riche kennelijk graag betaalt om in de grote wereld mee te tellen, is soms niet gering. Hoe de geldstromen tussen de drugshandel, het onroerend goed en de normale commercie lopen, valt betrekkelijk goed te reconstrueren. Om de eenvoudige reden dat belangrijke geldbedragen via kleinere kantoren van grote banken in binnnen- en buitenland op welbepaalde rekeningen worden gestort.

De inkomsten die de drugshandel van groep B jaarlijks genereert, moeten een veelvoud van de inkomsten van groep A bedragen en in de honderden miljoenen lopen. Juist omdat deze groep ook in financieel opzicht zo internationaal opereert, is het niet zo eenvoudig om de precieze omvang van de winsten in te schatten en ook niet om de kanalen te traceren waarlangs de gelden worden weggesluisd. Zeker zo belangrijk is evenwel de vraag naar de besteding van deze omvangrijke financiële middelen. Hiervoor werd al aangegeven dat zij voor een klein deel zeker zijn belegd in (horeca)gelegenheden in met name Amsterdam. En het is bekend dat er momenteel – met de hulp van bekenden in de betrokken branche – ook investeringen gebeuren in bedrijven in de landen om ons heen. Bij de aankoop van deze ondernemingen gaat het echter – anders dan bij groep A – om meer dan de witwas van gelden en een voorziening voor de oude dag. De betrokken ondernemingen moeten namelijk ook de infrastructuur opleveren voor een veilige en dus zo winstgevend mogelijke, organisatie van de drugshandel – van import tot en met distributie in West-Europa. Ook deze aanpak laat zien dat groep B niet alleen grootschaliger, maar ook heel wat zakelijker en strategischer opereert dan groep A. En dus is het geen wonder dat we hetzelfde zien bij de investeringen buiten de drugshandel. Die gebeuren niet in wat vastgoed en dure hobbies in Nederland, maar in hele vitale economische sectoren van een ver buitenland – haast buiten het zicht en zeker buiten het bereik van de Nederlandse overheid. Allicht betreft het hier een land waarin cruciale machtsgroepen en hun representanten zelf ook tot over hun oren in de drugshandel zitten en zodoende in staat zijn de natuurlijke rijkdommen van het land voor eigen rekening te exploiteren. 3.2.2.1.3. De actie tegen justitie en politie

Het is van alle tijden dat misdadigers in hun werkwijzen allerhande maatregelen verdisconteren om uit handen van politie en justitie te blijven. Bij georganiseerde criminaliteit in de drugshandel is dit ook zo: drugs worden geïmporteerd langs op het oog legale wegen, bewaarplaatsen worden regelmatig gewisseld, geld wordt via banken in het buitenland weggesluisd, enzovoort. Het principiële verschil tussen gewone en georganiseerde criminaliteit is echter dat de groepen die deze laatste vorm van criminaliteit bedrijven, niet alleen meer of minder uitgekookte werkwijzen ontwikkelen om ongestraft hun gang te kunnen gaan, maar ook allerlei strategieën hanteren om overheidsoptreden tegen hun misdaden te voorkomen en/of te blokkeren. In hoofdstuk 6 wordt veel dieper op deze problematiek van de toepassing van contrastrategieën ingegaan. Maar omdat hun gebruik zo’n wezenlijk onderdeel vormt van het hele optreden van de groepen die in deze paragraaf centraal staan, is het aangewezen hier al iets te zeggen over dit cruciale aspect van hun georganiseerde criminaliteit. Waar gaat het in deze gevallen om?

In de eerste plaats om de toepassing van contra-observatie. Hierbij moet vooral worden gedacht aan de vergaring van inlichtingen over de bewegingen die de politie in hun richting maakt. Informatie hierover stelt de betrokken groepen natuurlijk in staat om hun criminele praktijken met minder gevaar van overheidsingrijpen te organiseren. Concreet betekent dit vooral dat (leden van) de betrokken bijzondere politie-eenheden worden geschaduwd, maar ook dat wordt gepoogd hun onderlinge communicatie in kaart te brengen en, zo mogelijk, af te luisteren. Tot op zekere hoogte neemt deze contrastrategie ook wel de vorm van een werkwijze aan, namelijk wanneer de technici in kwestie worden ingeschakeld bij de (electronische) beveiliging van transportroutes en bewaarplaatsen.

Een tweede strategie – maar die in zekere zin de eerste overlapt – is de corruptie, vooral die van politiemensen. Immers, wat zijn, zeker in de sfeer van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, corrupte dienders anders dan (contra-)informanten, dat wil zeggen mensen in het politiemilieu die bereid zijn om tegen geld, goederen of diensten, inlichtingen te verstrekken over de actie die de overheid tegen bepaalde criminele groepen
onderneemt? Welnu, de beide groepen waarom het hier gaat, hanteren deze strategie. Een lid van groep A heeft duidelijk de opdracht om via via in contact zien te komen met een of meer rechercheurs van de eenheid die tegen haar is «opgestart» en ze uit te (laten) horen over de stand en de planning van het onderzoek. En met succes! Enkele rechercheurs laten zich verleiden tot het «lekken» van informatie. De topman van groep B heeft, zo lijkt het, ook goede contacten in politiekringen; dit stelt men vast aan de hand van wat hij op bepaalde momenten blijkt te weten. Maar – conform zijn kaliber – past hij deze contrastrategie heel bewust ook buiten de politie toe. Zo zijn er gerede vermoedens dat hij al te innige relaties onderhoudt met (andere) ambtenaren op lokaal en op centraal niveau. Mogelijk spelen deze relaties nu nog geen (belangrijke) rol bij het beveiligen van criminele operaties en de groepen die erbij betrokken zijn. Maar dit wil niets zeggen. Het getuigt van strategisch inzicht om vroegtijdig dergelijke relaties op de bouwen. Want wanneer ze op een gegeven moment wel van pas komen, kunnen ze des te effectiever worden geactiveerd, onder meer door de betrokkenen te chanteren met de informatie over hun gemeenschappelijk verleden. In de derde plaats is er de intimidatie van politiemensen en justitie-ambtenaren, gewoonlijk in de vorm van ernstige dreiging voor hun persoonlijke veiligheid of die van hun familiale omgeving. Bij de groepen die hier aan de orde zijn, speelt intimidatie op verschillende manieren. In relatie tot wat zoëven over contra-observatie is gezegd, is het heel aannemelijk dat van de toepassing van deze strategie een zekere intimiderende werking uitgaat op de politiemensen die effectief worden geschaduwd. Ook ligt het voor de hand dat politiemensen die zich hebben laten corrumperen, veel gemakkelijk kunnen worden geïntimideerd en, zoals in de praktijk bij één van de onderhavige groepen (A) is gebleken, zich ook vlugger geïntimideerd voelen (om bijvoorbeeld met meer informatie te komen, of valse verklaringen op papier te zetten) dan politiemensen die recht in hun schoenen zijn blijven staan. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat ook volstrekt integere politiemensen die op een gegeven moment in kleine kring of publiekelijk van van alles en nog wat worden beschuldigd, op den duur gemakkelijker te intimideren zijn dan collega’s die niet het voorwerp van lastercampagnes uitmaken. En dan is er natuurlijk de intimidatie tout court, of die nu in een rechtstreekse, persoonlijke confrontatie tot uitdrukking komt, dan wel via contacten in «het milieu» ter ore van de betrokken politiemensen wordt gebracht. Er zijn signalen die erop wijzen dat groep B zich doelbewust van deze strategie bedient om de opsporing te frustreren. Overigens mag in dit verband in één adem de intimidatie van getuigen en (eventuele) politie-informanten worden genoemd. Want wanneer dezen met de dreiging van (dodelijk) geweld het zwijgen wordt opgelegd, dan wordt de effectiviteit van het overheidsoptreden natuurlijk ook zeer ondermijnd. Groep A heeft het tot nu toe gelaten bij ernstige dreigementen en mishandelingen. Groep B heeft, denkt de politie, ook deze grens overschreden en zeker één informant van de politie uit de weg geruimd.

Tenslotte onderscheidt groep B zich in deze «contra»-sfeer op nog een belangrijk punt van groep A. En dat is op het punt van de inschakeling van de media. Groep A – dat is gebleken – is net als groep B zeker bereid en in staat om de media in te schakelen voor haar verdediging door het (laten) verspreiden van discrediterende informatie over het optreden van politie en justitie, respectievelijk dat van individuele politiemensen. Het doel van deze desinformatie-strategie is evident: stopzetting van grote onderzoeken, uitschakeling van de belangrijkste tegenstanders. Maar de topman van groep B gaat nog een stap verder. Hij poogt – zo wordt door de politie aangenomen – niet alleen om via laster zijn gevaarlijkste opponenten buiten gevecht te stellen, maar hij tracht ook via de media, en vooral via journalisten waarmee hij vaak contact heeft, een zo gunstig mogelijk imago van zichzelf te creëren. Vanzelfsprekend om te voorkomen dat hij op den duur – ook in de ogen van het publiek – terecht het grote mikpunt van politie en justitie wordt. 3.2.2.2. De handel van de Hells Angels

Eind 1993 werd binnen de centrale recherche het voorstel ontwikkeld om het Amsterdamsechapter van de Hells Angels aan te pakken. Het argument was dat dit chapter, dat formeel in 1975 was opgericht vanuit de beruchte «Kinkerbuurtbende», zich meer en meer tot een criminele organisatie had ontwikkeld. Op grond van de beschikbare informatie werd aangenomen dat leden van deze organisatie zich enerzijds op grote schaal bezighielden met internationale drugshandel en wapenhandel, en anderzijds – in Amsterdam zelf – betrokken waren bij afpersing en gedwongen overname van horecagelegenheden en bij de protectie van prostituées, souteneurs, bordeelhouders, enzovoort op de Wallen. Het feit dat het Amsterdamse chapter onder bedreiging met geweld eveneens in heel Nederland probeerde motorclubs aan zich te binden en leden hiervan trachtte in te schakelen bij het plegen van de genoemde criminele activiteiten, was een reden temeer om een onderzoek in te stellen.

Gelet op de ideologie en de organisatie van de Hells Angels, in het algemeen, maar ook in dit geval, werd hier door de gangmakers van het project in één adem aan toegevoegd dat dit onderzoek niet gemakkelijk zou zijn. Het zeer gesloten hiërarchische karakter van hun organisatie maakt infiltratie ervan bijzonder moeilijk. Daarenboven is de loyaliteit van de leden aan hun organisatie zo groot dat zij niet of nauwelijks uit eigen beweging met de politie contact zullen zoeken. Zij worden in deze loyaliteit trouwens zowel gesterkt door de
wetenschap dat er – mochten zij ooit worden opgepakt – goed zal worden gezorgd voor hen en hun omgeving, als door de verhalen dat verraders kunnen rekenen op een ongenadige afstraffing. De angst die de Hells Angels met hun gewelddadig optreden inboezemen, is voorts eveneens een enorme hinderpaal voor het verkrijgen van belastende verklaringen, juist ook van slachtoffers van hun praktijken. En de massieve manier waarop de Hells Angels hun vaste lokaties afschermen en zij overigens al hun (illegale) activiteiten voor het oog van derden verborgen proberen te houden, impliceert dat er zeer veel capaciteit zal moeten worden geïnvesteerd in de observatie van deze groep. Zo niet, dan zal het heel lastig zijn om bewijzen te verzamelen tegen de Hells Angels en meer bepaald tegen de full colours, de harde kern van erkende leden. Tot zover het projectvoorstel.

Na ruim een jaar onderzoek werd het volgende vastgesteld. De Hells Angels hebben in Amsterdam twee stichtingen opgericht. De ene is de de stichting Hells Angels Amsterdam, waarvan het bestuur wordt gevormd door zes personen (waaronder een voorzitter, secretaris, penningmeester en een «sergeant at arms»), de andere de stichting Hells Angels Holland, met vier bestuursleden. De Amsterdamse formatie staat in nauw contact met de chapters in Haarlem, Harlingen en Den Bosch en met de nomads in Heerlen (dezen bezitten geen eigen clubhuis). Verder zijn er zo’n tien motorclubs, verspreid over het hele land (o.a. Amersfoort, Den Haag, Breda, Heerenveen) en nauw gelieerd aan één van de genoemde chapters, bovenal aan het Amsterdamse. De rol van het laatstbedoelde chapter in de internationale drugshandel valt niet één, twéé, drie te beschrijven. Zij zit tamelijk ingewikkeld in elkaar. Het komt er evenwel op neer dat van een beperkt aantal full colours is geconstateerd dat zijzelf niet alleen rechtstreeks zijn betrokken bij de distributie van verdovende middelen in Amsterdam, maar ook bij invoer en doorvoer van hash en cocaine (via Hells Angels in Canada, Brazilië en Duitsland) en bij de aanmaak van amfetamine en XTC in Nederland (Amsterdam) en België, ook met de hulp van Hells Angels die geen lid zijn van het Amsterdamse chapter. Daarnaast is gebleken dat diverse grote(re) binnenlandse en buitenlandse drugsbendes één of meer full colours in hun rangen hebben en/of volop gebruik maken van de faciliteiten die de Hells Angels, althans één of meer full colours, te bieden hebben (vervoer, bergplaatsen, garages, cafés).

De schaal waarop de Hells Angels in eigen beheer drugs produceren dan wel verhandelen, valt moeilijk in te schatten. Het kleine aantal concrete waarnemingen dat is gedaan, sluit elke reële bepaling van de omvang van hun drugshandel (internationaal en lokaal) uit. Het enige dat eigenlijk kan worden gezegd is dat in elk geval één van de leidende figuren er wel bij gevaren moet hebben. Deze bezit momenteel twee cafés (van waaruit ook weer drugs worden verhandeld) en een winkel, verhuurt huizen en een woonboot en heeft vrij grote belangen in de motorhandel. Waarbij er reden is om aan te nemen dat juist deze motorhandel wordt gebruikt voor het witwassen van uit misdaad verkregen gelden. Overigens is betrokkene, op het moment dat dit wordt geschreven, bezig met het treffen van voorbereidingen voor de import van kleding uit Parijs. Om zijn businesses te runnen, doet hij beroep op onder meer een boekhouder en een makelaar in (de omgeving van) Amsterdam. Overigens is er – buiten de bedoelde horecabedrijven – tenminste nog één pand in de stad waar onder bescherming van de Hells Angels op kleinere schaal in verdovende middelen wordt gedeald. De mate waarin andere groepen gebruik maken van Hells Angels voor hun eigen handel in verdovende middelen, is vrij minutieus uitgezocht in het geval van de groep die zich onder leiding van de Deen A, woonachtig in Amsterdam, en de Nederlander B, vooral had toegelegd op de import van hash uit Marokko, de distributie van een deel van de geïmporteerde hash in Amsterdam en de doorvoer van het resterende deel naar Denemarken, Duitsland en Engeland. Had, omdat in februari jl. deze groep door de centrale recherche is opgepakt. De hash werd vooral door Nederlandse en Belgische chauffeurs met – via hun Marokkaanse vrouwen – goede contacten in Marokko, waaronder een corrupte politiechef, per (vracht)auto opgehaald; een enkele keer – voor hele grote partijen – werd evenwel een zeilschip met Deense bemanning ingeschakeld. Daarnaast had de groep op Schiphol de beschikking over een amfetaminelaboratorium, gecamoufleerd als een schoonmaakbedrijf. Met het oog op de plaatselijke distributie van verdovende middelen beschikte de groep in de binnenstad over een café. De internationale doorvoer van drugs gebeurde met name via een garage op een wat afgelegen plek. Hier werden zowel de wagens geprepareerd als de drugs in de wagens verstopt. Ettelijke transporteurs werden aan de grens met Denemarken en Duitsland aangehouden, voordat werd besloten om de hele groep op te rollen. De inkomsten die met de drugshandel werden verkregen, werden door A en B via besloten vennootschappen met name belegd in huizen, zowel in Nederland als in België. Bij deze beleggingen konden ze rekenen op de steun van een makelaar die in politiekringen als louche bekend staat, maar ook op de medewerking van een gepensioneerd bankdirecteur die goed de weg kent in allerhande vergunningen- en subsidiestelsels.

De rol van de (drie) Hells Angels in deze groep nam diverse vormen aan. Twee ervan waren bovenal betrokken bij het regelen en uitvoeren van internationale transporten, bij het wisselen van vreemde valuta, enzovoort. Een van deze twee had daarenboven haast als vanzelf van doen met de kleine drugshandel in Amsterdam: hij woont samen met de vrouw die het eerdergenoemde café drijft. De derde Hells Angel beheerde de bezittingen van de twee aanvoerders: maakte contracten in orde, onderhield de relaties met makelaars, notarissen en
banken, zorgde voor het onderhoud van de panden, sluisde gelden weg naar Zwitserland, etcetera. Interessant punt is dat geen van deze Angels een Nederlander is. Het gaat om een Oostenrijker, een Deen en een Engelsman! Het Amsterdams chapter is dus ook qua samenstelling van Europese allure.

3.2.3. De rol van buitenlandse en allochtone criminele groepen

Hiervoor is reeds bij herhaling de belangrijke rol van buitenlandse en etnische criminele groepen op de Amsterdamse drugsmarkt aan de orde gesteld. Nu komt het erop aan hen meer concreet te beschrijven. De beschrijving vangt aan met de Colombiaanse kartels en eindigt met de Britse dealers. Al met al wordt de rol van zo’n 12 etnische respectievelijk buitenlandse criminele groepen beschreven. Er zijn er zeker nog meer op de Amsterdamse markt actief, bijvoorbeeld Israëlische groepen. Maar wij beschikken over onvoldoende informatie om hun aandeel in de drugsgroothandel behoorlijk uit de doeken te kunnen doen. 3.2.3.1. De rol van de Colombiaanse kartels

In heel Amsterdam woonden op 1 januari 1994.763 Colombianen die zich legaal in Nederland hebben gevestigd. Daar zijn veel vrouwen onder die als prostituée werkzaam zijn, of zo althans zijn begonnen, en die thans zijn gehuwd met iemand die de Nederlandse nationaliteit heeft. Verder woont en werkt er in Amsterdam een per definitie onbekend aantal Colombianen illegaal of verblijft er met een toeristenvisum. Zij die geregistreerd zijn wonen vooral in zuid-oost (de Bijlmer), het stadsdeel waar sowieso de meeste mensen wonen en zeker ook de meeste allochtonen. Verder zitten ze overal in de binnenstad. Maar opmerkelijk veel Colombianen leven toch ook in het rijke zuiden van de stad.

Ofschoon de Colombianen in geen enkel opzicht voldoen aan het profiel van een gemarginaliseerde etnische minderheidsgroep, zijn er heel wat betrokken bij de cocaïnehandel. Niet allemaal als handelaar uiteraard, maar vaak in ondersteunende functies. Er zijn er die vliegtuigpassagiers uit Frankfurt ophalen, anderen hebben kleine restaurantjes in hun woning gemaakt die dienen als plaats van samenkomst, er zijn er met een reisbureautje en weer anderen hebben een wisselkantoor waarlangs geld wordt weggesluisd. Hoe groot dit aantal bedrijfjes precies is valt met geen mogelijkheid te bepalen. Maar ze vormen wel de vaste infrastructurele basis voor een steeds wisselende en vluchtige groep landgenoten die door de Colombiaanse organisaties worden uitgezonden. Wanneer we de politie mogen geloven die reeds meer dan tien jaar de bewegingen van cocaïne-handelaren zeer goed volgt, hebben vele Colombianen met de handel van cocaïne van doen. In een reeks van niet minder dan 16 opsporingsonderzoeken die exclusief vanuit Amsterdam zijn «gedraaid», komen werkelijk honderden Zuid-Amerikaanse namen voor.

Over de meeste wat grotere buitenlandse en etnische groepen in Nederland bestaat veel onderzoek en literatuur, over de Colombiaanse en andere Zuidamerikaanse gemeenschappen niet. En zo ontbreekt het ons aan het nodige inzicht om de omvang van de cocaïne- en ook marihuanahandel in Amsterdam in te schatten. De criminoloog Zaítch heeft op ons verzoek een beginnetje met een etnografie van de Colombiaanse gemeenschap gemaakt. Hij trof in hun kring een rijk verenigingsleven aan. Er zijn politieke clubs, culturele verenigingen, migranten-zelfhulporganisaties, feministische groeperingen, etcetera. Hij vond actieve kerkelijke organisaties en taalcursussen. Dit zijn allemaal verbanden die men niet onmiddellijk met de Colombiaanse drugskartels associeert. Maar hij vond ook een uitgebreid horeca-circuit en een aantal sportcentra en dansscholen, waar de connectie met de import en distributie van cocaïne wel bestaat. Bettien M. die enige tijd in dit Amsterdamse milieu van de coke verkeerde, vertelt over jonge Colombianen die zich uitgaven voor studenten, die via Amsterdamse woningbemiddelingsbureaus etages betrokken in het betere deel van Amsterdam-Zuid en in wat nu stadsdeel De Baarsjes heet, en wier dagelijks leven zich afspeelde in fitness-centra, dansgelegenheden en (dealend) op straat (Bovenkerk, 1995b). Enkele hotels en een café in de binnenstad functioneren voorts als plaatsen van samenkomst voor de Zuid-Amerikanen, evenals enkele horeca-gelegenheden op de Wallen. Men ontmoet elkaar evenwel ook in videotheken waar Spaanstalige films worden verhuurd. Bij een zo vlottende bevolking is de vraag waar de opbrengst van de cocaïne-handel naar toe zal gaan, niet moeilijk te beantwoorden. Vrijwel het gehele profijt vloeit af naar Zuid-Amerika of komt hier terecht op rekeningen bij banken die van drugsgelden niet zo’n probleem maken. Een nieuwe ontwikkeling is het ontstaan van ruilhandel: Turkse organisaties ruilen heroïne (die Colombianen in de Verenigde Staten verkopen) tegen cocaïne van de Colombianen (die door Turken tot buiten Nederland wordt verkocht). Deze handel heeft het voordeel dat er in Amsterdam zelf helemaal geen geld aan te pas hoeft te komen. Wat gewoonlijk de kartels worden genoemd, bestaat uit een serie van tientallen organisaties in Colombia die alle trachten in Europese landen (vooreerst Spanje) importlijnen op te zetten. Er komt nog steeds coke binnen per koerier in vliegtuigen, maar belangrijker is de aanvoer van grote hoeveelheden, verstopt in legale handelswaar, per container geworden. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van personen die via bekenden naar
Nederland komen en die proberen ofwel zelf firma’s op te zetten ofwel bestaande Nederlandse firma’s voor de import van hun koopwaar te interesseren. Het eerste is in Amsterdam in ieder geval nog niet goed gelukt. Choenni telde in 1993 onder de ruim 5.000 etnische ondernemingen in de stad niet meer dan negen Colombiaanse bedrijven. En wie weet, zijn dit wel keurige firma’s die met de drugshandel niets van doen hebben. Vaker zoeken de transporteurs Nederlandse importbedrijven die reeds jarenlang op Zuid-Amerika (of Afrika, met tal van havens waar drugs gemakkelijk kunnen worden aangevoerd en overgeslagen) handel drijven en daarom niet in de gaten lopen. Hoe inventief zij daarbij kunnen zijn, wordt geïllustreerd door de zaak die op 28 februari 1990 de grootste partij cocaïne opleverde die tot op dat moment ooit in Europa was onderschept (2.658 kg, IJmuiden). De cocaïne was verpakt in diepgevroren concentraat van passievruchtensap, zodat honden haar niet konden ruiken. De Colombiaanse «transportingenieur» die deze lijn had opgezet voor de familie Grajales te Cali, had eerder, in 1985, een in Haarlem gevestigde kickboksschool uitgenodigd voor een demonstratietournooi in Colombia om deze nieuwe tak van sport te promoten. Daar werden de eerste contacten voor het opzetten van de cocaïnelijn gelegd, die later in een Amsterdams café werden beklonken met Nederlanders die een kleine firma dreven in het aanbrengen van zonwerende folie op ramen (Bovenkerk, 1995b).

Misschien is het trouwens beter om in dit verband niet exclusief te spreken over Colombianen. Zij komen wel uit het land waar 80% van het geraffineerde cocaïne-poeder vandaan komt, en de Colombiaanse kartels zijn op wereldschaal domweg het sterkst, maar de distributie in Amsterdam is veeleer in handen van een Zuid-Amerikaanse gemeenschap, die heel gemêleerd is samengesteld. Het gaat hier om Dominicanen (veel prostituées), Brazilianen, Chilenen en Ecuadorianen. Zij vinden elkaar gemakkelijk in de Zuid-Amerikaanse hotels, dansgelegenheden en cafés. En het is opmerkelijk hoe openlijk daar cocaïne wordt gedeald en gebruikt. De politie jaagt op de grote partijen die het land binnenkomen, maar omdat zij veel minder aandacht heeft voor wat er dan mee gebeurt, is de distributie nagenoeg zonder risico. Bij parties lopen dealers af en aan tussen de feestzaal en de stash in hun huis om steeds opnieuw enkele grammen op te halen die het maximum vormen dat door de politie in het bezit van één persoon wordt gedoogd als zijnde bestemd voor eigen consumptie.

De eerste Zuid-Amerikaanse groep die in Amsterdam opviel, bestond uit een bende Peruaanse zakkenrollers en tasjesdieven die in het begin van de jaren tachtig op de straatmarkten van Amsterdam opereerden. We zullen het begrip georganiseerde criminaliteit echter niet zo ruim nemen dat deze bende er ook onder valt. De eerste echte grote coke-handelsorganisatie in Amsterdam heette de Liga Sudamericana. Deze organisatie, die trouwens in meer landen actief was, werd geleid door een groep Argentijnen, waarvan de topman thans is gedetineerd in Spanje. Dit laatste is niet zo verwonderlijk, want de internationale sluikhandel volgt routes die door historische relaties tussen landen zijn bepaald en die thans volop functioneren door culturele affiniteit tussen hun gemeenschappen. De entree van de Spaanssprekende Zuid-Amerikaanse drugsorganisaties in Europa verliep ook via Spanje en in dit land is de machtspositie van de kartels dan ook nog altijd veel groter dan die in Nederland. Van deze organisaties maakten ook Chilenen deel uit en daarvan is in Nederland vooral A bekend geworden, doordat hij zich volop begaf in het autochtone Amsterdamse milieu van de drugs en enkele jaren geleden zelfs heel wat aanzien had verworven op de Wallen, ook als zakenrelatie van Bruinsma. Het jaar 1988 was in crimineel Amsterdam trouwens het jaar van de Chilenenmoorden. In het najaar werden toen kort na elkaar drie Chilenen vermoord. De laatste werd bekend als de zogenaamde moord bij de haringkar (in de Uiterwaardenstraat); die had A voor zijn rekening genomen. Deze moord vond op echt mafiose wijze plaats: in het voorbijgaan schoot de bijrijder van een motorfiets de betrokkene dood. De achtergrond van deze afrekeningen was de onenigheid tussen een van oorsprong Peruaanse en een Chileense organisatie (al zouden de lidmaatschappen later door elkaar gaan lopen) waarbij de laatste, onder leiding van B, verantwoordelijk werd gehouden voor een rip-actie. Verder speelden ook persoonlijke tegenstellingen een rol. De organisatie op de achtergrond in Chili schijnt te hebben gemeend dat ze hun geschillen in Amsterdam zelf maar moesten uitvechten. Dit geweld was op zichzelf trouwens geen teken van overname van de markt door een andere criminele groep. De coke-markt expandeerde aan het einde van de jaren tachtig en er was op deze markt dus plaats genoeg voor verschillende groepen.

De Zuid-Amerikaanse (in tegenstelling tot de Caraïbische) cocaïnehandel in Amsterdam is in enkele opzichten nogal typisch georganiseerd. Ten eerste valt op dat deze bovenlokaal is georganiseerd. Amsterdam mag een belangrijk centrum zijn, Zuid-Amerikanen doen zaken op het niveau van de Randstad en ook daarbuiten. Amsterdam geldt wel als aantrekkelijk (en in dat opzicht te verkiezen boven bijvoorbeeld Den Haag), omdat de controle op illegale buitenlanders doorgaat voor minder streng of minder effectief. Het tweede wat opvalt is de uitzonderlijke variatie naar nationale herkomst in de personele bezetting van de Colombiaanse drugshandel in de Randstad (en Europa). De meeste door de politie onderzochte zaken laten zien dat gewoonlijk tijdelijke netwerken worden geformeerd, waarvan niet exclusief Colombianen deel uitmaken; vaak vormen zij zelfs de minderheid. In Colombia houden de kartels hun personeelsbestand gesloten, in Europa moeten zij veel overlaten aan de plaatselijke onderwereld of aan (overigens) legale bedrijven die zich laten gebruiken. Er
komen Joegoslaven in voor, Israëliërs, Marokkanen, Fransen en Spanjaarden. Veruit de belangrijkste nationale connectie is echter die met Italianen, zoals ook tot uiting komt in §.3.2.3.6, waar de rol van Italiaanse organisaties wordt besproken. Vijf of zes pizzeria’s in Amsterdam hebben jarenlang gefungeerd als de plaatsen waar beslissende afspraken over handel en transport werden gemaakt.

De hoeveelheid drugs die wordt onderschept vormt in alle beschouwingen van politie en justitie in wezen de grote onbekende. Het dark number van de kilo’s coke kennen wij slechts bij grove benadering. Als er echt grote partijen in één keer worden onderschept, zijn zij steeds van Colombiaanse origine; hiervan is de IJmuiden-vangst het duidelijkste voorbeeld. Maar er wordt in alle havens van West-Europa, zo lijkt wel, geprobeerd om coke binnen te smokkelen. In 1991 werd via een door het Duitse BKA opgezette actie met een frontstore een grote hoeveelheid cocaïne (meer dan 300 kg) tot aan de afnemers in Nederland gevolgd. Het nadere onderzoek liet goed zien hoe de handel verder werkt. Wat bij Venlo de grens overkwam, werd in drie partijen gesplitst. Die werden vervoerd naar een Colombiaans adres in Den Haag, een Joegoslavische afnemer in Zaanstad en een Nederlander in Uithoorn. De vangst van de Amsterdamse politie op de laatste twee adressen kreeg overigens nog een vervelend staartje: op een gegeven moment bleek van die hoeveelheid een aantal kilo’s uit een opslagplaats van de politie verdwenen te zijn. Zulke affaires worden door het Bureau Intern Onderzoek (BIO) uitgeplozen. Omdat het in dit geval ging om politiemisdaad en niet om politie-corruptie, komt deze zaak in hoofdstuk 6 over corruptie evenwel niet voor.

3.2.3.2. De rol van Surinamers, Antillianen en Arubanen Surinamers in Amsterdam waren tot in de jaren zeventig overwegend afkomstig uit de betere kringen of uit de middenklasse, en dit gold ook voor het handjevol Antillianen. Ze studeerden aan universiteiten en instellingen voor hoger beroepsonderwijs en voorzover zij in Nederland bleven na het behalen van hun diploma, werden zij gewaardeerde collega’s in het onderwijs en in ziekenhuizen (artsen en verpleegsters), of werkten zij in vrije beroepen. Er was een minderheid onder hen van afgemonsterde zeelieden en arbeiders, die in de jaren zestig werden aangeworven. Nog voordat de Amsterdamse industrie zich richtte op het Middellandse-Zee-gebied om te voorzien in haar tekort aan arbeiders, werden die (naar Brits voorbeeld, waar de tekorten op de arbeidsmarkt immers ook werden aangevuld met mensen uit de voormalige koloniën) via enkele werfacties gerecruteerd in Suriname en de Antillen. De Amsterdamse fabrieken van Ford en Bruynzeel wierven kortstondig in Suriname, maar dat liep uit op een fiasco. De werving van arbeiders en verpleegsters in de Nederlandse Antillen was veel beter voorbereid. Deze migranten waren geselecteerd en werden getest. Hun werving is van 1964 tot 1971 voortgezet (Koot en Ringeling, 1984; van Amersfoort, 1971). Het aantal Caraïbische migranten was overigens niet hoog. In 1970 bedroeg het in Amsterdam ongeveer 10.000; daarvan waren verreweg de meesten afkomstig uit Suriname. Het waren vrijwel allemaal Creolen.

Dit neemt niet weg dat zich in het Amsterdamse Wallen-gebied, op de Zeedijk en op de Nieuwmarkt, stilaan heel voorzichtig zoiets als een zwarte onderwereld begon af te tekenen. Rond het logement van zeelieden, in bepaalde beroemde cafés van die tijd (die overigens nog bestaan: de Cotton Club, Para André) en in een danshuis met Surinaamse jazz-musici (Casa Blanca) kwamen haar bewoners bijeen. J.W. Groothuyse, huisarts in de Amsterdamse «rosse buurt» en in 1970 gepromoveerd op een dissertatie over vrouwelijke prostituées, onderscheidde in 1973, in zijn boek Het menselijk tekort van de pooier, onder andere het «Carib-type pooier». Het waren mannen die zich als jongens al moeilijk hadden kunnen aanpassen en die reeds voordat zij naar Nederland kwamen een strafblad hadden. «Ze hebben als samenhangend collectief de eerste helft van de Zeedijk in beslag genomen» en «(…) er treedt zelfs gettovorming op», schreef Groothuyse. Dat zware woord zien we bij een beschrijving van de sociale geschiedenis van Surinamers steeds weer opduiken: sociale problemen onder zwarten worden via associatie met het «zwarte vraagstuk» in de Verenigde Staten met het signaalwoord «getto» aangegeven. Hoe ze tot pooierij vervallen? Groothuyse (1973: 114) ziet in nogal gedateerd taalgebruik «Daarnaast hun bewegingsdrang, die niet direct leidt tot de neiging te gaan werken. Hun dansen, hun mimiek, hun beweeglijkheid» (is het) «waar menig Hollands meisje door in vervoering raakt». En voorts hebben ze «als zwarte Nederlanders een ingehouden haat en ook een verborgen minderwaardigheidscomplex jegens blanken.» Zwarte souteneurs waren in de jaren zeventig inderdaad een bekende verschijning geworden. Zwarte prostituées waren er toen nog nauwelijks. De manier waarop Groothuyse toen schreef ging er in die dagen nog mee door omdat hij schreef over een sociaal probleem. Op spreken en schrijven over Surinaamse en Antilliaanse criminaliteit rustte daarentegen een taboe. Binnenskamers werd er wel over gesproken en achter de gesloten deuren van het Nederlandse kabinet was zij in de jaren zestig zelfs aanleiding om een stop op de immigratie te overwegen! (mondelinge mededeling van J. Schüster, die binnenkort op het vertoog over het Nederlandse immigratiebeleid hoopt te promoveren) – maar in het openbaar gold de Surinaamse criminaliteit toch eerder als een uitvinding van de pers (Bovenkerk en Bovenkerk-Teerink, 1972). De antropoloog A.E. Bayer zocht de Surinaamse arbeiders op in hun Amsterdamse cafés en schreef een eerste verantwoorde etnografie van deze groep (Bayer, 1965). Hij
ontwaarde wel degelijk ook «Zeedijk-Surinamers» in een hoofdstukje over «de onderwereld» en ging bij de hoofdstedelijke politie te rade hoeveel personen het hier betrof. Daar werd hem medegedeeld (p. 97): «Het aantal werkelijke misdadigers onder de Surinamers is uiterst gering». Gevraagd naar een concreet getal, antwoordde men hem: 20. Maar daar waren erbij «die terreur uitoefenen in de binnenstad». Zwarte mensen werden veeleer als slachtoffers gezien van racisme en discriminatie dan als mogelijke misdadigers en de Amsterdamse politie kreeg het in de begin van de jaren zeventig dan ook zwaar te verduren met beschuldigingen van onnodig hard en agressief optreden. In 1972 stierf in het Vondelpark de Surinaamse Paul Heesbeen, die op de vlucht door een politiekogel was geraakt. Een protestbijeenkomst hier rond, op een avond in De Brakke Grond, trok een volle zaal. In 1973 deed de rijksrecherche onderzoek naar wat er was gebeurd, maar vond niets strafwaardigs en dat werd in Surinaamse kring onbevredigend geacht. Het Amsterdams-Surinaamse centrum Anton de Kom bracht in 1977 een zwartboek uit met een opeenstapeling van voorbeelden van discriminatie en van schandaaltjes. Ondertussen wezen de criminaliteitscijfers wel degelijk op een verhoogde kans van Surinamers (en Antillianen, die zich volgens de eerdergenoemde bron, Van Amersfoort, op het moment van aanhouding niet van de Surinamers onderscheidden), op delinquent gedrag maar erg duidelijke conclusies werden daaruit niet getrokken (De Haan en Bovenkerk, 1993). In het begin van de jaren zeventig kwam dan de massale migratie op gang uit Suriname en aan het einde van dit decennium ook die uit de Antillen. Dit bracht een duidelijke verlaging van het gemiddelde niveau van opleiding en sociale status met zich mee (zie Bovenkerk, 1975 voor Surinamers en Luning, 1979 voor Antillianen). Door een historische samenloop van omstandigheden vestigden veel nieuwkomers zich in stadsdeel Zuid-Oost: De Bijlmermeer. De jonge Amsterdamse gezinnen («doorstromers») voor wie het nieuwe stadsdeel was gebouwd, bleven weg en de woningbouwcorporaties verhuurden hun flats aan de nieuwkomers. Toen rond dit beleid enige tijd aarzeling bestond, namen Surinamers het lot in eigen hand en kraakten de leegstaande woningen in de flatgebouwen Gliphoeve I en II (Diepen en de Bruijn-Muller, 1976). Het Vrije Volk signaleerde bij het begin van deze golf immigranten (de echte grote immigratie van Surinamers in 1994 en 1995 moet dan nog komen) het onstaan van een «neger getto» (Budike, 1982). In dit geval was dat trouwens niet slecht gezien. Nederland heeft weliswaar nooit getto’s gekend, maar als er ooit een op heeft geleken, was het Gliphoeve wel. De combinatie van onbeheersbare sociale problemen en van materiële vernielingen aan het complex brachten de overheid er op een gegeven moment toe het gebouw met de grond gelijk te maken. De belangen van de Surinamers zijn lange tijd behartigd door instellingen die door de Amsterdamse overheid werden gesubsidieerd voor de verlening van maatschappelijke zorg en de organisatie van cultureel werk: Wan Pipel, Srefidensi, Sosa. Hier heeft korte tijd de mogelijkheid voor de ontwikkeling van georganiseerde misdaad bestaan. Sommige Surinaamse leiders van deze instellingen speelden immers riskant spel: het gemeentebestuur werd gedwongen grote subsidiebedragen te betalen, omdat de maatschappelijk werkers anders niet konden instaan voor het gedrag van hun vele ontwortelde en agressieve cliënten, maar moest zich – op straffe van beschuldiging van racistische bevoogding – niet bemoeien met de manier waarop het geld werd besteed. Leuw (1984) heeft deze ontwikkeling, zoals eerder al werd aangegeven, beschreven voor Amsterdam. Uit zijn analyse wordt duidelijk dat nepotisme en cliëntelisme ook hier hun kans kregen. Er gebeurden met subsidiegelden dingen waarvoor ze niet waren bestemd. En dit vormt op zichzelf een omstandigheid waarin relatief gemakkelijk georganiseerde misdaad kan ontstaan, maar zover is het in dit geval niet gekomen. Er is zodoende veel subsidiegeld in eigen zakken beland en er zijn stichtingen opgedoekt op grond van financieel wanbeheer. Buiks (1983) legde hetzelfde patroon bloot onder Surinaamse welzijnsstichtingen op de Rotterdamse Kruiskade. De namen van de fraudeurs van weleer worden thans echter niet met de onderwereld geassocieerd.

In de jaren zeventig en tachtig vond de meerderheid van alle immigranten haar weg en zij onderscheidt zich thans van de gemiddelde Amsterdammers in weinig anders dan de voorkeur voor bepaald voedsel, huwelijkspreferentie binnen de eigen groep en godsdienstige affiliatie. Op 1 januari 1994 woonden in Amsterdam 68.000 mensen die uit Suriname afkomstig zijn en ruim 10.000 uit de Antillen of Aruba. Samen vormen ze ruim 10% van de Amsterdamse bevolking; 60% daarvan behoort tot de arbeidende bevolking. Dat is minder dan de Hollandse Amsterdammers (tussen de 80 en 85% van de arbeidsproduktieve bevolking heeft werk), maar het is een ruime meerderheid. Wel is er in de jaren zeventig een circuit van langdurige werklozen ontstaan die geheel of vrijwel geheel zijn aangewezen op sociale ondersteuning, en die dat minimum aanvullen met inkomsten uit «hosselen», scharrelen. De meesten hebben grote sociale problemen, waarvan drugsgebruik het meest ernstige probleem is. Dit probleem ontstond tot op zekere hoogte «historisch toevallig». Het moment waarop de exodus uit Suriname op gang kwam – vlak voor de onafhankelijkheid – viel samen met het moment waarop de handel in heroïne zéér toenam, en voor laaggeschoolde, nog niet aan Nederland aangepaste en kansloze jongeren, vormde participatie aan de drugssubcultuur een manier om zich staande te houden. Zij vervulden voor de Chinese heroïnehandelaren de rol van dealers op de laagste niveaus (Janssen en Swierstra, 1982). Hun handel stond toen nog ten dienste van hun eigen gebruik. De drugsdeskundige G. van de Wijngaart (1990) rekende voor dat de Surinaamse groep wel zeer onevenredig door drugsverslaving was
getroffen. In heel Europa zijn, zo stelde hij, op iedere 100.000 inwoners ongeveer 125 mensen verslaafd aan drugs en de Nederlandse schatting van haast 18.000 verslaafden komt in de buurt van dat gemiddelde. Op het moment dat hij dit sommetje maakte, werd het aantal Surinamers in Nederland geschat op 220.000. Als er geen speciaal probleem zou zijn geweest, zou het aantal Surinaamse verslaafden 275 hebben moeten zijn, maar hulpverleners schatten hun werkelijke aantal op 4.000! Amsterdam nam er daarvan 1.000 voor zijn rekening. Waar moesten die junkies allemaal blijven? Zij ontwikkelden een eigen drugs-scene aan de kop van de Zeedijk en dealden vanuit zeven of acht cafés, waarvan Emil’s Place en Het Winkeltje het meest berucht werden. De gemeente ging het tegen door een reeks verordeningen uit te vaardigen. Vanaf 1981 mochten er geen messen meer worden gedragen, in 1983 werden via het «Dijkverbod» notoire handelaren geweerd en in 1984 volgde een samenscholingsverbod. De politiesurveillance werd opgevoerd en dat mondde uit in een grootscheeps «Zomerplan» (Van Gelder en Sijtsma, 1988: 33; Van Gemert, 1988: 94 e.v.). De Surinaamse junkies werden opgevangen in het Doelengebouw aan de Kloveniersburgwal en, door de Stichting Opbouwwerk Surinamers in Amsterdam (SOSA), in een verlaten bankgebouw aan de Herengracht, maar deze panden werden wegens verloedering en wanbeheer ontruimd. De gemeente wist toen niet beter meer dan «café-achtige ruimten» beschikbaar te stellen waar Surinaamse junks werden gedoogd. Deze verdunning van het probleem hielp ook niet omdat de buurtbewoners in opstand kwamen en een aantal van zulke ruimten in brand staken. In 1983 werd dan aan de Prins Hendrikkade een «drugsboot» opengesteld, maar die werd in 1984 weer gesloten. De Surinaamse junkies zijn daarop naar de Bijlmermeer of elders in de stad verdwenen. In de jaren negentig nam het verslavingsprobleem echter in omvang af. De groep is nog steeds zichtbaar, maar met de mindere populariteit van heroïne wordt zij wel kleiner. Een cohort van oudere zwarte junks is nog dagelijks te zien in de metro, tussen het problematische deel van de Bijlmermeer en het centrum. In 1990 trok dan weer de Antilliaanse en Arubaanse bevolkingsgroep in Nederland sterk de aandacht. Er zou in haar midden jeugdcriminaliteit worden gepleegd die zich onderscheidde van andere vormen van criminaliteit door excessief gebruik van geweld. Er werd in de Amsterdamse Bijlmermeer een «harde kern» van Antillianen door de politie aangetroffen waarmee nauwelijks normale communicatie mogelijk was. De berichten daarover bleken bij nader onderzoek nogal overdreven, maar er was wel een probleem, ook in andere steden (Hulst en Bos, 1993). Het vreemde is dat Surinamers door de politie in de jaren negentig juist veel milder worden beoordeeld dan daarvoor, meent de onderzoeker Limon (1993), maar nu hebben Antillianen het kennelijk verkorven. Van de criminaliteit die binnen deze groep wordt gepleegd, zijn de overvallen zonder twijfel het meest bedreigend, maar die vallen niet onder onze omschrijving van georganiseerde misdaad. Van echte jeugdbendes die tot georganiseerde misdaadbendes zouden kunnen uitgroeien, is ook geen sprake. Hierom is de plotselinge aandacht voor Antilliaanse misdaad in Nederland op deze plaats minder relevant. Thans is er sprake van een kentering in de Surinaamse gemeenschap, wat de drugs betreft. Men gaat over van het gebruik van drugs op de handel daarin. Surinaamse en Antilliaanse heroïne-gebruikers zijn al nooit zo verslaafd geweest als hun Hollandse lotgenoten, doordat ze niet spuiten, maar enkel roken («chinezen»). Boslandcreolen die thans ook in de drugshandel worden aangetroffen, doen ook dat niet. De jongste generatie heeft in de jaren tachtig gezien hoe hun oudere broers (en zusters) aan de verslaving bezweken en hoe dit hele gezinnen tot de bedelstaf bracht. Het Amerikaanse voorbeeld hangt als een donkere wolk over de zwarte gemeenschap. Sansone wijst er in zijn studie van kansarme Surinaamse jongens in Amsterdam op dat er al iets van die kentering viel te bemerken toen in hun subcultuur Amerikaanse hip-hop-muziek werd overgenomen met teksten die zich tegen het gebruik van drugs verzetten (Sansone, 1992, hoofdstuk 4). De politieke ontwikkelingen in Suriname en de reusachtige vlucht die de handel in cocaïne daar heeft genomen, bieden trouwens ook de mogelijkheid om deze ommezwaai te maken. Het is moeilijk om precies aan te geven waar het omslagpunt heeft gelegen en hoe snel of geleidelijk de ommezwaai plaatsvond, maar het is wel zeker dat de marginale groepen in de Surinaamse (en in mindere mate ook de Antilliaanse) gemeenschap het junkenbestaan achter zich laten of verkiezen daarin niet op te gaan. Een aantal van hun leden begeeft zich liever in de drugshandel.

De Amsterdamse politie heeft de Surinaamse en Antilliaanse handel in drugs evenwel niet hoog op haar prioriteitenlijst staan. Onze informatie hieromtrent is dientengevolge meer afkomstig van sociologische kenners van de Caraïbische gemeenschap dan op die van de politie. Onze indruk is dat vele honderden Surinamers in de weer zijn met het importeren van kleinere en middelgrote partijen cocaïne. Er worden pakjes over de post gestuurd (door de lucht of per schip). Vakantiegangers en koeriers reizen heen en weer per vliegtuig: direct vanaf Paramaribo, maar ook via Frans Guyana, en in Europa naar Schiphol, Parijs of eerst nog met een tussenstation in een ander Europees land, bijvoorbeeld Denemarken. De Surinaamse drugssmokkel naar Amsterdam gebeurt, zo lijkt het, niet met grote partijen ineens, maar vormt een continue instroom van kleine hoeveelheden. Koeriers – zoveel is in strafrechtelijk onderzoek wel vast komen te staan – worden in Amsterdamse discotheken en op feesten geronseld. Drugsondernemers sturen speciaal naar deze gelegenheden en feesten ronselaars om potentiële koeriers te interesseren. Ondernemende jongeren, mensen met grote schulden, onopvallende bijstandsmoeders en ook gehandicapten, in wie niemand smokkelaars zal
zien, zijn voor hen interessant. Wie belangstelling heeft, wordt verschillende malen gescreend en wordt op een onverwacht tijdstip naar Suriname gezonden. De koeriers komen terug in groepen zonder dat zij elkaar kennen. Er is wel sprake van een onderling verzekeringssyteem: uit de winst van hen die «doorkomen», worden degenen die worden aangehouden en hun familie tijdens hun detentie gesteund. Bij aanhouding luidt de geleerde rechtvaardiging «dat de militairen er achter zitten» en dat zij daarom geen keus hadden. Maar er zijn zoveel «lekken» in de lucht- en zeehavens dat voldoende mensen er «doorkomen» en de economische infrastructuur van de Surinamers in de stad – winkels, enzovoort – vergemakkelijkt zeer de distributie. Surinamers in Nederland en vooral Creolen leggen, als zij daartoe financieel de kans krijgen, graag een «signeurale levensstijl» (zoals de grote Surinaamse socioloog Rudolf van Lier dat noemde) aan de dag. De publieke discussie over de opbrengst van de Surinaamse drugseconomie is tot nu toe vooral gericht op de sprookjesachtige villa’s in de aangename buitenwijken van Paramaribo en op de degelijk ingerichte Hindoestaanse handelsondernemingen. Surinamers die in Nederland in de drugs geld hebben verdiend, laten zich echter ook niet onbetuigd. Geslaagde drugshandelaren investeren in feesten en in zeer veel luxe. Zij houden ervan, net als hun Hollandse collega’s, in sportauto’s rond te rijden. De antropologe Van Wetering die nu al jaren onderzoek doet onder Creoolse vrouwen in de Bijlmermeer, stelde vast dat de drugseconomie en de opbrengsten daarvan zijn geïntegreerd in rituelen zoals die bij begrafenissen (Van Wetering, 1988). Een deel van de revenuen verdwijnt ook in het gokcircuit, of wordt aangewend om een eigen bedrijf op te richten. En er zijn ook al hashplantages door Surinamers opgezet. Ofschoon veel Surinamers leven in twee werelden, wijzen ook zulke investeringen in de richting van een toenemende identificatie met Nederland. 3.2.3.3. De rol van Marokkaanse handelaren

Onze poging om de georganiseerde misdaad in Marokkaanse kring in Amsterdam te beschrijven, is zeer belemmerd door het gebrek aan materiaal dat bij politie en justitie voorhanden is. Een beter voorbeeld van de criminologische stelling dat wat wij aan criminaliteit waarnemen sociaal is geconstrueerd en in hoge mate wordt bepaald door de keuze van wat wordt opgespoord en strafrechtelijk vervolgd, is haast niet te bedenken. Wat is het geval? Het vraagstuk van de Marokkaanse criminaliteit leeft in de Nederlandse voorstellingswereld als een probleem van een ontspoorde tweede generatie. In 1988 «lekte» een rapportje van de afdeling bestuursinformatie van de gemeente Amsterdam naar Het Parool. Hierin werd een alarmerend signalement gegeven van Marokkaanse jongerenbendes die «het stegengebied» in het hartje van Amsterdam onveilig maakten. Vanaf dat moment zijn de criminele Marokkaanse jongens niet meer uit de belangstelling weggeweest. Zoals de etnograaf van de Marokkaanse «randgroepen» Hans Werdmölder terecht schreef: met de openbaarmaking van dit rapport werd een taboe doorbroken (Werdmölder, 1989). Er is een reeks wetenschappelijke onderzoekingen uitgevoerd, er zijn tientallen indringende media-reportages aan dit probleem gewijd, de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie hebben grote projecten opgezet om het probleem tegen te gaan en in vrijwel alle gemeenten met veel Marokkaanse immigranten wordt wel iets, en soms heel veel, gedaan om de situatie te beheersen. Al deze aandacht heeft andere onderzoekers er weer toe verleid om speciaal aandacht te vragen voor de «gewone» Marokkaanse jongeren die er ook zijn, en voor degenen onder hen die met uitzonderlijke prestaties door het Nederlandse onderwijs gaan (Buijs, 1993). De eerste reden waarom het jongerenprobleem wel en het vraagstuk van de georganiseerde misdaad geen aandacht kreeg, luidt dat het type criminaliteit waaraan Marokkaanse jongens zich schuldig maken, onmiddellijk en individualiseerbaar Hollandse slachtoffers maakt. Drugs worden geïmporteerd omdat er in West-Europa vraag naar bestaat en akelige bijverschijnselen, zoals afpersen en rippen in eigen kring, zijn niet of nauwelijks zichtbaar. Het deel van de tweede generatie dat het criminele pad opgaat (en dat is een groot deel) maakt zich echter schuldig aan inbraken, overvallen en geweldplegingen. Dat zijn delicten die slachtoffers opleveren die op het politiebureau melden wat hen is overkomen. Dit soort vaak zeer bedreigende misdaad heeft prioriteit in de bestrijding. De tweede reden waarom de georganiseerde criminaliteit in Marokkaanse kringen zo onderbelicht is gebleven, is inderdaad dat het illegale goed waarin de Marokkanen handelen – hash – bij de politie lange tijd geen aandacht heeft gehad. Er werd gespeurd naar hard drugs, niet naar hash. De derde reden waarom we zo slecht zijn genformeerd is dat de drugshandelmilieus in kwestie exclusief Marokkaans zijn en zeer gesloten.

Toch zou het vreemd zijn als in Amsterdam niets zou zijn te merken van de enorme ontwikkeling die de hash-export uit Marokko de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt en die in het landelijke rapport over de rol van allochtone en buitenlandse groepen in de georganiseerde criminaliteit uitvoerig is besproken. De import is toegenomen (nu trouwens ook van andere drugs dan alleen hash), de Marokkaanse «peetvaders» in Marokko zelf hebben zich veel beter georganiseerd, de rol van Hollandse hashhandelaren die vanuit Marokko opereren is teruggebracht tot die van (minder in het oog lopende en minder verdachte) transporteur, de territoria van de Marokkaanse drugshandelaren zijn in Marokko zelf steeds scherper verdeeld. Hoe weinig georganiseerd de Marokkaanse gemeenschap in de ogen van veel Nederlandse buitenstaanders ook is, de hash-handel lijkt zeer
goed te worden beheerd en bestuurd.
Als deze veronderstelling juist is dan zou een gericht politieonderzoek op enige lokale Marokkaanse gemeenschap – wanneer de politie er althans in slaagt een behoorlijke informatiepositie op te bouwen – heel wat georganiseerde misdaad zichtbaar moeten maken. Welnu, dat is in de jaren ’90 en ’91 in het Gooi ook gebeurd en meer in het bijzonder in Hilversum. Hier werd vermoed dat een aantal belangrijke Marokkanen in hun koffiehuizen in hash handelden, onder andere omdat de rode Ferrari van de Amsterdamse hash-importeur D regelmatig voor de deur werd gesignaleerd. De analyse van de politie leverde het inzicht op dat drie belangrijke handelaren in Hilversum actief waren (de heren A, B en C); dezen gaven leiding daarenboven aan een hele keten van Marokkaanse coffeeshops van waaruit deze soft drug werd gedistribueerd. Verder werd vastgesteld dat een groot deel van alle Marokkaanse families in de stad wel op de een of andere manier bij deze negotie waren betrokken. Maar in dit verband is vooral van belang dat men in dit Gooise onderzoek steeds opnieuw stuitte op connecties met Marokkanen en Marokkaanse winkels en coffeeshops in Amsterdam. Deze connecties werden evenwel niet nader onderzocht.

3.2.3.4. De rol van Turkse groepen
Hiervoor werd er al enkele malen op gewezen dat reeds in de jaren tachtig de Amsterdamse politie «de Turken» meer en meer is gaan beschouwen als key-players op de Amsterdamse drugsmarkt. Niet voor niets figureerden drie Turkse groepen op de lijst van 15 groepen die in het kader van de Randstad-analyse werd opgesteld. Hierom is de ruime aandacht die hier wordt geschonken aan de rol van Turkse groepen zeker niet misplaatst.

De ruim 30.000 Amsterdammers die zelf of wier ouders van Turkse afkomst zijn, vallen in de statistiek op door hun steevast uitzonderlijk lage criminaliteitscijfers. In de periode van januari 1992 tot juli 1993 was 2,8% van alle personen die in Amsterdam door de politie werden aangehouden van Turkse origine, terwijl het aandeel van de Turken in de gehele bevolking 3,8% bedraagt (Etnische groepen in Amsterdam, 1994: 57). Alle andere etnische groepen en zeker die welke in sociaal gedepriveerde omstandigheden leven (hoge werkloosheid, concentratie in minder goed woonbuurten, enzovoort), vertonen aanhoudingspercentages die hoger of veel hoger liggen dan die van de Turkse gemeenschap. Alleen Nederlanders scoren wat lager dan Turken, maar het quotum van de Nederlanders dat zich, in sociaal-economisch opzicht, in de criminele risicozone bevindt, is veel en veel kleiner. In dit cijfer komt vooral tot uitdrukking dat globale criminaliteitscijfers met name iets van de kleine en veel voorkomende criminaliteit laten zien. Diefstal komt onder Turken nu eenmaal opmerkelijk weinig voor (Yesilgöz, 1995) en domme geweldpleging in de vorm van vandalisme ook. Het zijn evenwel juist deze delicten die vooral in de criminaliteitsstatistiek terechtkomen. Turken zijn in Amsterdam echter wel degelijk bij het plegen van criminaliteit betrokken.

Er zijn Turken – zie §.3.4.2 – die zich bezig houden met wapenhandel – veel Turkse mannen bezitten een vuurwapen en dragen dat ook vrijwel altijd bij zich -, met afpersing en met mensenhandel, maar de meerderheid van de georganiseerde Turkse misdadigers dankt haar prominente plaats aan de drugshandel. Ofschoon er ook wel, en in toenemende mate, wordt gehandeld in cocaïne, gaat het in hoofdzaak om de handel in bruine heroïne die afkomstig is uit het Midden-Oosten. Omdat de Turkse drugshandel naast de cocaïnehandel van de Colombianen nog het meest wordt opgespoord, heeft de politie er overigens een vrij goed beeld van.

Om een idee te krijgen van het aantal Turken dat in Amsterdam op de een of andere manier – van financier tot koerier, enzovoort – is betrokken bij de drugshandel, hebben wij een computerbestand geconsulteerd dat sedert 1990 door de tactische recherche wordt gebruikt als «kaartenbak» voor de opslag van gegevens met betrekking tot personen en bedrijven/instellingen die naar voren zijn gekomen bij onderzoeken die overwegend betrekking hebben (gehad) op (gewelddadige en andere conflicten in) de handel in heroïne. Op het moment dat dit bestand – waaruit door een technische fout in het begin van 1995 overigens 3.000 records waren verdwenen – gedetailleerd werd bekeken (september 1995) met de hulp van enkele onderzoekers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, bevatte het 10.972 records. Wanneer nu wordt nagegaan hoeveel volwassen mannelijke personen van Turkse afkomst, woonachtig in Amsterdam, (ook volgens de rechercheur die het bestand beheert) in de periode van 1 januari 1991 tot 18 september 1995 zijn geregistreerd voor enigerlei betrokkenheid bij met name de heroïnehandel, dan komt men – scherp geteld – uit op 1.880 personen. Bij dit cijfer moet natuurlijk worden bedacht dat het – gelet op het dark number dat altijd groot is bij delicten waarvan door slachtoffers geen aangifte wordt gedaan – slechts een deel van de totale drugshandel weerspiegelt. Kijkt men vervolgens naar (twee) wijken: Bos en Lommer en De Baarsjes, waarin zich de grote onderzoeken naar welbepaalde families hebben afgespeeld die hierna concreet worden besproken en waar het dark number dus kleiner zal zijn dan in de rest van de stad, dan stelt men vast dat er meer bepaald 300 respectievelijk 333 personen in bovengenoemd bestand geregistreerd staan. Deze grote aantallen laten er geen misverstand over bestaan dat in Turkse kringen de heroïnehandel een belangrijke criminele activiteit vormt. Hoe belangrijk
precies, valt dus moeilijk te zeggen. Want de relatering van de genoemde aantallen personen aan de omvang van de volwassen, mannelijke Turkse bevolking van Amsterdam (11.600) is maar mogelijk onder een aantal aannamen (weinig tot geen in- en/of uitstroom, geen omvangrijke populatie illegalen, bestand is representatief voor Amsterdam).

Voorts kan bij deze cijfers worden opgemerkt dat het verkeerd zou zijn om de Turkse drugshandel te beschouwen als een tweede-generatie-probleem. De meeste Turken in Amsterdam zijn nog steeds van de eerste generatie – haast 70% is in Turkije zelf geboren (De Amsterdammers in acht etnische groepen, 1995: 45) – en zij worden net zo goed door de politie aangehouden als leden van de tweede generatie. Er is veeleer reden om de Turkse drugshandel te zien als een centrale bedrijvigheid van een aantal families waarbinnen meer generaties samenwerken. Normaal gesproken is de criminaliteit van een bepaalde bevolkingsgroep een marginaal verschijnsel. In dit geval ligt het echter waarschijnlijk enigermate anders: het leven van een deel van de Turkse gemeenschap in Amsterdam is niet te begrijpen zonder de drugshandel. Die vormt een vitale bron van inkomsten voor een beduidend aantal Turkse mensen.

De organisatie van de Turkse heroïnehandel naar Nederland werd reeds beschreven in het landelijke rapport over de rol van buitenlandse en allochtone groepen in de georganiseerde misdaad in Nederland. Daarin bleek Amsterdam overigens niet het voornaamste centrum van de Turkse heroïnehandel te zijn. De Amsterdams-Turkse drugshandelaren zijn afkomstig uit Tunceli, Antep, Diyarbakir en andere bekende mafia-«nesten». De PKK is waarschijnlijk niet direct zelf bij de handel in drugs betrokken, maar zij profiteert er wel van. Wanneer deze organisatie van haar sympathisanten heeft begrepen dat een grote hoeveelheid heroïne is doorgekomen, eist zij een zogenaamde «vrijwillige bijdrage» op. Het is lastig om daar tegen op te treden, omdat een deel van de Koerdische bevolkingsgroep echt vrijwillig geld afstaat aan de PKK, maar je weet nooit helemaal zeker in welke gevallen dit werkelijk waar is. De Amsterdamse politie probeerde in 1993 de Koerden tot aangifte van afpersing te bewegen en stuurde een oproep van die strekking aan niet minder dan 20.000 Turkse en Koerdische adressen. Het leverde niets op.

Hier is ook de vraag aan de orde hoe de distributie in de stad is georganiseerd. De geografische inplanting van de drugshandel is nauw verbonden met het vestigingspatroon van de Turkse Amsterdammers. Zij wonen vooral in het goedkoopste deel van de Amsterdamse woningen. Die liggen voor een heel stuk in de negentiende-eeuwse gordel (De Pijp) en veel meer nog in de gordel daarom heen: in Oost, Zeeburg, Bos en Lommer, De Baarsjes en nog een deeltje in Noord. De regulier werkende beroepsbevolking is voor een deel te vinden in de economische sectoren waarvoor de gastarbeiders oorspronkelijk werden geworven: de industrie en de «persoonlijke dienstverlening» (waarbij schoonmaakwerk hoog scoort). Maar overigens profileren Turken zich ook sterk, zeker in vergelijking met andere etnische groepen, in sectoren die met handel te maken hebben en met nijverheid. Van de grotere immigrantengroepen in Amsterdam staan de Turken veruit bovenaan met meer dan 10% van hun mensen die zelfstandige beroepen uitoefenen (Choenni, 1993). De opkomst van de Turkse loonconfectiebedrijven (zie § 4.3) past in die ontwikkeling.

De brandpunten van het sociale en economische leven van de Turkse gemeenschap zijn de 150 Turkse koffiehuizen die Amsterdam rijk is, een aantal bars, gokhuizen en videotheken (exclusief terrein van mannen), en de honderden winkels en marktkramen waar voedingswaren en snuisterijen worden verkocht en waar reizen worden geboekt. Verder is de sector van de restaurants zeer goed vertegenwoordigd. Ergens in de jaren zeventig zijn veel Italiaanse pizzeria’s geruisloos overgegaan in handen van Turken, die met goedkoper personeel economischer konden werken. Deze restaurants zien er wel nog steeds Italiaans uit en het Turkse personeel spreekt elkaar ook aan met Italiaanse namen (uit bekende opera’s!), maar gasten die (vakantie-)Italiaans met hen willen spreken, worden onbegrijpend aangestaard. De moskeeën hebben voorts, naast hun religieuze, ook een duidelijk sociale functie: er worden waren verkocht, er worden bijeenkomsten gehouden en er wordt propaganda gemaakt. Deze infrastructuur, en met name die van de koffiehuizen, leent zich uitstekend voor de distributie van drugs. Turkse drugshandelaren houden zich weinig of niet bezig met de verkoop van drugs op het niveau van de straat. Zij zijn de importeurs en de groothandelaren; zij beheersen de heroïnehandel tot en met het middenniveau. De koffiehuizen en andere ontmoetingsplaatsen dienen om zakelijke besprekingen te voeren, om te telefoneren (in code, want men is zich het risico van afluisteren terdege bewust) en om afspraken te maken over zulke dingen als betrouwbare handelscontacten en afzetgebieden. In de koffiehuizen waar het hier om gaat, huren vaste handelaren een «stoel», zoals een plaats op de markt. De klant onderhandelt en is de koop gesloten dan gaat buiten iemand mee om hem van de koopwaar te voorzien die is verstopt in de stash. Met straathandel laten deze Turken zich niet in, dat doen Nederlandse en vooral Marokkaanse dealers. Verder zijn er in toenemende mate ook (andere) buitenlanders bij betrokken. Zij doen dienst bij het transport van heroïne van Turkije naar Nederland. Turkse transportbedrijven met Turkse chauffeurs liepen op een gegeven moment te veel in de gaten. De douane-autoriteiten in Turkije en aan de grenzen van Bulgarije, Griekenland, Italië, Roemenië, enzovoort kregen steeds meer door wat er gebeurde. Er wordt overigens niet alleen een beroep gedaan op Nederlandse bedrijven, maar ook op Franse en andere West-Europese transportbedrijven en chauffeurs.
Dat de opkomst van de Turkse drugshandel (net zoals de opkomst van het zelfstandige etnische ondernemerschap trouwens) samenhangt met de economische herstructurering van de jaren tachtig, die vooral (gast-)arbeiders uit de arbeidsmarkt drukte, is duidelijk. De politie meent dat je er de klok gelijk op kon zetten. Een half jaar of zo na sluiting van een fabriek waar veel Turken werkten of na een massa-ontslag, hoorde zij over de telefoontap op koffiehuizen haast letterlijk hoe het hoofd van een familie of de oudste zoon besloot met anderen in de handel met verdovende middelen te gaan. Zelfs in die mate dat er bij de politie een zekere moedeloosheid is ontstaan: «welk koffiehuis je ook tapt», zeggen ervaren rechercheurs, «binnen enkele weken wordt een drugsorganisatie zichtbaar». Het is haast onbegonnen werk om daar over de gehele linie tegenin te gaan. In het Turkse milieu leven kennelijk niet zo’n grote morele bezwaren tegen drugshandel. Turken beschouwen de Nederlandse maatschappij als «ziek», omdat er zoveel mensen zijn die verdovende middelen gebruiken. Turkse jongeren zelf gebruiken ze niet.

Ofschoon zich ook in Amsterdam tien jaar geleden enkele grotere en strak-geleide drugsorganisaties hebben gemanifesteerd en ook thans nog zo nu en dan Turkse bazen kortstondig in de stad verschijnen om problemen op te lossen en conflicten te beslechten, lijkt de handel tegenwoordig toch betrekkelijk toegankelijk voor wie er aan mee wil doen. In Turkije komt men het criminele milieu niet in zonder delikanli te zijn, dat wil zeggen: zonder de reputatie te hebben opgebouwd een man van eer te zijn. In Turkije gelden met andere woorden strenge maatstaven om aan een bende mee te mogen doen. Dit is in Amsterdam niet het geval. Voor de Amsterdamse politie is het daarom moeilijk om greep op de handel te krijgen: grote bazen en groepen laten zich vangen, met een groot aantal dealers is dat veel moeilijker. Turkse drugshandelaren zijn elkaars concurrenten, maar als er moet worden samengewerkt om het nodige geld voor een partij heroïne bijeen te brengen, gaat dat ook. De concurrentie zal nog wel toenemen wanneer de vraag naar deze drug afneemt. Dat proces is nu al aan de gang, maar het verlies wordt gecompenseerd door ook in cocaïne te gaan handelen. Een groter gevaar dan de politie vormen de bendes die carrière hebben gemaakt in het geweld. Wie niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen krijgt ze onherroepelijk op bezoek. Naast kwesties van eer zijn dus schulden een reden van het naar Amsterdamse begrippen extreem hoge niveau van geweld. De oudere generatie Turken investeert de opbrengsten van de drugshandel vrijwel geheel in Turkije. In Nederland zijn zij ingetogen consumenten. In Turkije investeren zij echter in een huis, een winkel, in grond en nieuwe speculatie-objecten zoals toeristische centra. De opbrengsten worden ofwel direct in baar geld mee naar Turkije genomen, ofwel giraal overgestuurd via het eigen Turkse banksysteem. Dit patroon is wel aan het veranderen. Jongere Turkse drugshandelaren nemen deel aan het Amsterdamse nachtleven en fungeren met hun exuberante levenswijze als voorbeeld voor leeftijdsgenoten. Van hun ouders vinden zij «dat die eigenlijk niet leven». Dit duidt op een verandering in het Turkse drugshandelmilieu, die zich misschien nog niet zo gemanifesteerd heeft op andere plaatsen in Nederland. Er zijn met andere woorden tekenen die erop wijzen dat de sociale bindingen worden verlegd van Turkije naar Nederland, en in de grote stad is dit proces het eerst zichtbaar. Om deze geleidelijke verandering te illustreren zetten we twee Turkse drugsorganisaties in Amsterdam tegenover elkaar: die van de familie A, die actief was in de vroege jaren tachtig en voldeed aan het stereotype van het, hecht in Turkije verankerde, familieverband. De organisatie van de jonge, goed aan Nederland aangepaste agressieve ondernemer B, vormde hiervan de tegenhanger. De familie A is afkomstig uit de gebied waar de Lazen wonen, uit Oost-Turkije, aan de Zwarte Zee. Zij is uitzonderlijk groot en vertakt en biedt zo een voortreffelijke basis – ook in termen van loyaliteit – voor operaties in heel West-Europa: in Duitsland, Frankrijk, Engeland en Nederland. Het Duitse BKA volgde op een gegeven moment een handeltje van deze familie, seinde Nederlandse collega’s in en zo werd er aan de grens bij Venlo 77 kg heroïne gepakt. Uit nader onderzoek bleek dat de familie binnen Nederland vertakkingen had in Groningen, Rotterdam, Enschede, Zaandam en ook Amsterdam. Zij opereerde vanuit koffiehuizen en snackbars en exploiteerde ook een modewinkel. De hoofdactiviteit bestond echter uit de smokkel van heroïne die zij aan de grens met Syrië betrok van de groep van handelaren uit de steden Gaziantep en ook Van. De organisatie beschikte over een Turkse transportonderneming en werkte met Turkse chauffeurs. De familie A vormde aldus een standaard-organisatie: de zaak werd goed en centraal gecoördineerd. De telefoongesprekken duurden heel kort en de politie kon er weinig uit leren; alleen als het om geld ging duurden ze lang. De opbrengsten werden weggesluisd via een Turkse Bankasi. Wanneer een familielid schulden moest innen, maar zijn plicht verzuimde omdat hij gokte en als persoon niet sterk genoeg bleek te zijn, werd het op een meedogenloze manier op een zijspoor gezet.

Het hoofd van de familie A is een man van respect. In Turkije is hij een kabadayi, een man van eer en ervaring aan wie men als vanzelfsprekend gehoorzaamt. De ware baba, vader van een misdaad-familie, vertoont zich trouwens graag in het openbaar. Het publiek weet heel goed wat hij doet en de politie en justitie ook, maar hij demonstreert zijn ware grootheid door onaantastbaar te zijn. De baba’s laten zich dus graag portretteren. Op de televisie en op de voorpagina’s van de populaire pers kan men kennisnemen van hun belevenissen en hun opvattingen. A kon dat niet doen, want hij werd in Turkije gezocht voor een moord die hij in zijn jeugd heeft
begaan in het kader van bloedwraak. Let wel: eerwraak is iets anders, en in dit geval wordt moord minder zwaar bestraft dan in Nederland, maar de Turkse overheid stelt paal en perk aan bloedvetes en straft in die gevallen veel zwaarder dan bij ons. A poogde evenwel zijn gedrag te rechtvaardigen en toonde zich via een omweg aan het volk.

In 1989 liet hij een video-film maken over zijn leven met de titel Ispat (dat betekent bewijs). Er spelen professionele acteurs in mee, maar hij zelf speelt de hoofdrol. De kijkers kunnen nu zelf zien hoe hij niet anders kon dan hij in z’n leven heeft gedaan. Het verhaal begint in zijn jeugd met de laffe moord op zijn vader. Een van zijn broers ziet in een droom de dader voor zich verschijnen en er zit dan niets anders op dan die te vermoorden. Zulks geschiedt. Omdat onherroepelijk revanche zal worden genomen zien alle vijf broers zich gedwongen als gastarbeider weg te vluchten naar West-Europa: één gaat naar Frankrijk, vier belanden in Amsterdam. Enkele jaren later horen ze via het roddelcircuit onder Turken in Duitsland dat de verkeerde is vermoord en dat de echte moordenaar van hun vader nog vrij rondloopt. Zij schamen zich en loten onderling wie alsnog de familie-eer moet wreken. A treft het (gelukkige!) lot en hij keert terug naar de oevers van de Zwarte Zee om te doen wat van hem wordt verwacht. Daarmee bereikt A de status van kabadayi, een man die zijn belofte gestand doet, een eerlijk en rechtvaardig mens. Terug in Amsterdam zien we hoe A zijn nieuwverworven status aanwendt om als arbiter op te treden in de gokwereld. Hij gaat zelf in zaken. Niet in drugs natuurlijk! – de film bevat zelfs een scene waar een oneerlijke Italiaan voorstelt om samen in «wit» te gaan, maar dat voorstel wordt resoluut van de hand gewezen. Het wordt een videotheek. De manier waarop A, volgens de film, kans ziet rijk te worden is te mooi om er niet bij te vertellen. Op een goede dag verlaat hij de videotheek en stapt in zijn wagen als plotseling een auto met grote snelheid langskomt die wordt achtervolgd door een politiewagen. Tot zijn grote verbazing wordt uit de eerste auto een tas gegooid die miljoenen guldens blijkt te bevatten. Hij keert nu rijk terug naar Turkije. Maar als hij wil gaan investeren in een huis, wordt hij aangehouden door de Turkse politie terzake van de moord gepleegd in het kader van de bloedwraak. «Ach», roept A uit, «hoe dom zijn wij Turken door ons te laten leiden door zulke achterlijke gebruiken als bloedwraak!» Het liep met de familie in werkelijkheid niet goed af. De hoofdrolspeler verblijft momenteel in een Turkse gevangenis, één broer is in Berlijn bij een conflict in het milieu doodgeschoten, de derde zit een straf uit in een Nederlandse gevangenis en van de vierde (in Frankrijk) is niets bekend. In 1991 waren het Mercatorplein en de buurt onmiddellijk daaromheen volgens veel bewoners onleefbaar geworden. Op ieder moment van de dag werd er openlijk op straat in heroïne gehandeld: «op een oppervlakte van vijf bij vijf meter vinden wel drie deals tegelijk plaats». Onenigheid over de verkochte hoeveelheid, de kwaliteit, betalingsproblemen en ripdeals waren de oorzaak van een constante reeks gewelddadige incidenten. Op het eerste gezicht leek het hier te gaan om een probleem van openbare orde. Maar het gemeentebestuur besloot in 1993 eindelijk actie te ondernemen en om «de buurt terug te geven aan de bewoners». Dit duurde zolang omdat het gemeentebestuur aarzelde een actie in gang te zetten die noodzakelijkerwijze was gericht tegen één etnische minderheid, want dat zou het risico op kunnen leveren van discriminatie. Maar er hadden ondertussen ook twee liquidaties plaatsgevonden. De zaak liep dus echt uit de hand. Bij nader onderzoek bleek de verloedering van de buurt, beginnend bij de gewone dagelijkse drugstransacties op straat, nauw samen te hangen of beter nog: wezenlijk onderdeel uit te maken van een probleem van Turkse georganiseerde misdaad. Het Mercatorplein was geleidelijk inderdaad in handen geraakt van verschillende Turkse drugshandelsgroepen. En omdat gaandeweg ook een flinke rij woonhuizen in hun bezit was gekomen, begon de buurt de trekken aan te nemen van een vrijplaats zoals we die al meer in Amsterdam zijn tegengekomen. De organisator van dit alles en de financier van de panden die werden geëxploiteerd als eethuis, koffieshop en cafetaria, de heer B, zou men er nooit voor aanzien. Hij was in Turkije werkzaam geweest in de Koerdische jeugdbeweging, bracht daarom enige tijd door in de gevangenis en vroeg, toen hij daaruit werd ontslagen, in 1979 asiel aan in Nederland. Hij assimileerde snel door goed Nederlands te leren en met een Nederlandse vrouw te huwen. Ten tijde van het onderzoek woonde hij in een villa in een riante forensengemeente in de buurt van Amsterdam. Hij ging keurig gekleed, gedroeg zich voorkomend, was hulpvaardig en maakte zich gemakkelijk geliefd. Bij een gecombineerde actie van de politie en de FIOD, in samenwerking met de stadsdeelraad, werd in de bistro van B een kelder aangetroffen die als vergaderruimte dienst deed voor Turkse drugshandelaren, ook van buiten Amsterdam en Nederland. Onmiddellijk daarboven genoten nietsvermoedende gasten van een goede maaltijd. Dat was natuurlijk een prima dekmantel voor een «rovershol», zoals de politie het uitdrukte, dat slechts via een geheime en goedbewaakte deur bereikbaar was. B bleek leiding te geven aan een hechte organisatie die de handel in heroïne regelde in verschillende landen, die een reeks dekmantelbedrijven had opgezet en die zorgde voor valse paspoorten. Er werden in totaal 218 mensen gearresteerd. Daarvan werden er 107 voorgeleid, 36 ter bewaring overgegeven aan de vreemdelingendienst en 5 ervan werden internationaal gesignaleerd. Er werd 347 kg heroïne in beslag genomen, 700.000 gulden cash en 72.000 Duitse marken. Verder werden er 36 vuurwapens afgepakt en 18 voertuigen, en werden er 5 koffiehuizen en een restaurant gesloten. Wat deze zaak vooral interessant maakt is de veel modernere aanpak van de drugshandel door B dan
door A. B onderhield niet alleen goede relaties met hooggeplaatste personen in Turkije (een gouverneur, een politiechef), maar ontplooide ook allerhande activiteiten in Nederland. Er werden Nederlandse transportondernemingen in Gorinchem en Velzen gebruikt. Hij liet zich in financieel opzicht bijstaan door zijn Hollandse buurman, die accountant is. Hij belegde in onroerend goed in Amsterdam. Ook trad hij op als hoofdsponsor van een Turks-Amsterdamse voetbalvereniging. Hij stond zelfs op het punt een camping met een modern golfslagbad in Oost-Nederland te kopen. Een van de gevallen van infiltratie in de politiek die hoofdcommissaris Nordholt in 1993 in het televisieprogramma NOVA onthulde, had betrekking op een door B gestuurde Turk, die kandideerde bij een grote politieke partij voor een politiek mandaat in een deelraad (NRC/Handelsblad 1 februari 1994). Op dit moment zijn veel van de destijds gesloten koffiehuizen weer geopend en volop in bedrijf! Internationale klanten komen opnieuw naar deze buurt omdat bekend is dat je er heroïne kunt kopen.

3.2.3.5. De rol van Chinese triades
Omdat in de voorbije jaren weinig tot geen aandacht is geschonken aan de Chinese georganiseerde criminaliteit in Amsterdam, is het bijna onmogelijk om hier een overzichtelijke analyse te presenteren van haar rol in de drugshandel in deze stad. Maar laten we bij het begin beginnen. «Een dramatischer intree binnen de Nederlandse samenleving was nauwelijks denkbaar», schrijft Wubben (1986: 19) in zijn historisch-etnografische studie over de Chinezen in Nederland. Zij waren in 1911 door Nederlandse reders aangeworven in Londen en Liverpool om te werken als stokers en kolentremmers en alzo de op handen zijnde stakingen onder Nederlandse zeelieden te breken. «Getekend door het onderkruipersstigma, geminacht om de lage lonen en gehaat door de arbeidsplaatsen die zij wederrechtelijk innamen» waren zij, toen zij na afloop van de staking toch mochten blijven en in Rotterdam en Amsterdam kleine Chinese kolonies vormden. Deze Chinezen waren afkomstig uit de traditionele emigratieprovincies in het zuiden van China: Kwantung en Chekiang. Hun geschiedenis heeft altijd tekenen van georganiseerde misdaad vertoond (afpersing, gokken, verdovende middelen), alhoewel de Nederlandse autoriteiten er niet veel van snapten en zich van inmenging onthielden omdat de Chinezen anderen geen overlast aandeden en over eigen methoden van conflictregulering beschikten (Vellinga en Wolters, 1966). Politierapporten in Amsterdam en Rotterdam roemden de Chinese gemeenschap om haar rust en ordelievendheid.

Op 18 augustus 1918, echter, wandelde Tschang Chou een logement binnen in de Buitenbantammerstraat no. 8 en schoot Liang Yi met twee schoten uit zijn Browning-revolver dood. Diezelfde avond werd er wraak genomen in de Chinezenloods van de Maatschappij Nederland. Er stierven twee Chinezen door kogels en messteken. De daders meldden zich netjes bij de politie. Tschang vertelde dat hij niet anders had gekund, omdat Liang aan het hoofd stond van een geheim genootschap dat zeevarenden geld afperste. De moordenaar van die avond, Liang Lee Tack, verklaarde een halfbroer te zijn van de vermoorde Liang en stelde dat hij zich niet aan zijn verplichting tot wraakneming had willen onttrekken. De Telegraaf volgde de gebeurtenissen op de voet. Over het logement waar de eerste moord plaatsvond, schreef een redacteur «dat deze localiteit een broeinest is van onzedelijkheid en slechte gewoonten als opiumschuiven en hazard-spel. Ook smokkelen ze. En: er wordt gedreigd met moord als er iemand uit de school zou klappen». Een impressie van de begrafenis: «Gele broeders die in hun dunnen colbert-pakjes met deukhoedjes op het hoofd, op en neer drentelen». Bij het verhoor toonden de daders zich «akelig kalm en bekennen volmondig en tevreden hun daad. Met een glimlach op het gelaat deden zij den politieautoriteiten de grepen en steken voor». De eisen van de officier van justitie luidden respectievelijk 15 en 14 jaar gevangenisstraf. Veel ervan begrijpen deed de officier niet. Hij oordeelde dat van een geheim genootschap niets was gebleken en dat de tweede moordenaar in een opwelling had gehandeld.

De eerste echte confrontaties met de politie ter zake van overtreding van de Opiumwet deden zich voor in 1921. Er werden toen meer en meer processen-verbaal opgemaakt voor het bezit en vervoer van opium en voor de ogen van verbaasde Chinezen, die slechts hun bekende genotmiddel hadden meegenomen, werden enkelen hunner het land uitgezet. De opium was toen nog afkomstig uit Turkije. Hij werd geraffineerd in Marseille. Er werd echter een modus vivendi gevonden. De opiumschuivers vormden immers een uitstervende soort en omdat het schuiven tot de eigen kring beperkt bleef (bij de import waren wel Hollanders betrokken), konden de plaatselijke autoriteiten ermee leven. Vellinga en Wolters bezochten in 1966 in het kader van hun onderzoek de zeven gelegenheden in de Binnenbantammerstraat waar op dat moment nog opium werd geschoven. Zij geven een impressie van deze gelegenheden die voor ons van belang is omdat deze goedaardige opiumkitten als het ware de verbinding vormen met de latere, veel rauwere drugsscene van Amsterdam: «De baas stelt pijpen en lampen ter beschikking en verkoopt opium, terwijl hij Chinese thee serveert aan zijn bezoekers» (p. 100). Er was een slaapzaal met stapelbedden en een gezellige gemeenschappelijke ruimte waar wierookstokjes werden gebrand.

De zeeliedenkolonie vormde een vlottende bevolking tot aan het uitbreken van de crisis in 1929. Veel
Chinezen werden toen overbodig, omdat de schepen overgingen van steenkolen op olie. Zij werden sedentair. Rotterdam herbergde voor de oorlog de grootste kolonie Chinezen, na de oorlog Amsterdam. In 1965 leefden hier 446 Chinezen. Wat moest Nederland in de jaren ’30 met die werkloos geworden Chinezen aan? De later beroemd geworden socioloog F. van Heek deed onderzoek en pleitte voor een humane aanpak van hun uitzetting. Tegen een van de auteurs van dit rapport vertelde Van Heek in 1976 dat zijn advies moest worden gezien tegen de achtergrond van die tijd: een stelsel van sociale zekerheid bestond nog niet en het sociale probleem zou alleen maar erger worden (Bovenkerk en Brunt, 1977). De Chinezen vonden er echter zelf ook iets op, en wel door de suggestie te volgen van een koopman in koffers – er hadden zich ook enkele handelaren uit China in Nederland gevestigd: zij begonnen in coöperatief verband pinda-koekjes te vervaardigen en uit te venten. De meest deerniswekkende Chinees werd de straat op gestuurd om de waar aan de man te brengen. Het Hollandse publiek kocht uit medelijden. De Chinese gemeenschap kwam echter pas echt boven Jan met het openen van eethuizen, onmiddellijk na de oorlog. Repatrianten uit Indonesië en ook studenten en kunstenaars kwamen in de jaren vijftig eten in de Binnenbantammerstraat bij de legendarische tante Mia. Het Chinese restaurant veroverde daarna in hoog tempo Nederland. In 1965 waren er alleen al in Amsterdam 80 eethuizen en in heel Nederland 300.

De bloeitijd van de Chinese restaurants lag in de jaren zeventig. Het verzadigingspunt van 2.000 restaurants werd bereikt in 1977 (Verwey, 1983). Toen kregen ze last van nieuwe immigranten uit de territoria rond Hong Kong, die zich aanboden als goedkope koks. De journalist Nico Polak (Avenue, februari 1973; Haagse Post, 15 november 1975) onthulde dat het hier in feite ging om afpersing die werd georganiseerd door Chinese triades. De illegale koks werden aan geslaagde restaurateurs opgedrongen en hun eigenlijke werk bestond erin om voor de triades in kwestie een schatting te maken van de omzet. De politie reageerde met enkele spectaculaire acties en verwijderde tal van illegalen. Deze acties werden in de pers gehekeld als razzia’s, omdat zij exclusief waren gericht op een etnisch-raciale groep. Overigens hadden toen veruit de meeste Chinezen van het eerste uur en ook veel latere immigranten allang de Chinese subcultuur verlaten. Vellinga en Wolters namen een opmerkelijke assimilatie in hun kring waar. De omstandigheid dat de meeste zeelieden alleenstaande mannen waren, heeft daar zeer toe bijgedragen. Velen huwden met Nederlandse vrouwen en hun kinderen werden Nederlanders.

Desalniettemin vormen de beschikbare berichten een gegronde reden om te stellen dat een aantal bekende Chinese groepen nog altijd een belangrijke rol spelen op de drugsmarkt van Amsterdam, vooral dan waar het gaat om de handel in heroïne. Hierbij moet allereerst worden gedacht aan de Singaporese triade Ah Kong. Hiervan wordt immers beweerd dat zij in de voorbije jaren haar machtspositie nog immer heeft weten te versterken ten nadele van de 14K, en niet alleen in Amsterdam maar ook in andere delen van Nederland. De Tai Huen Chai, die de Ah Kong in haar strijd tegen de 14K steeds heeft ondersteund, heeft zeker geprofiteerd van deze ontwikkeling: in de schaduw van de Ah Kong speelt zij binnen en buiten Amsterdam nog steeds een belangrijke rol in de heroïnehandel. Welke positie de 14K momenteel op de drugsmarkt inneemt, is onduidelijk. Maar zij mag waarschijnlijk niet worden onderschat. Want de Wo Shing Wo-triade die haar op het einde van de jaren tachtig in de strijd tegen de Ah Kong krachtdadig ondersteunde, opereert, onder andere vanuit Duitsland, nog heel geregeld in Amsterdam. Daarenboven zijn er hele duidelijke aanwijzingen dat inmiddels ook weer andere organisaties vanuit Hong Kong proberen een plek op de Amsterdamse drugsmarkt te veroveren. Met alle spanningen en somtijds gewelddadige conflicten vandien. Niet alleen de ettelijke (onopgeloste) (dubbel)moorden op Chinezen (waaronder – in juli 1992 – op de vermoedelijke leider van de 14K in Amsterdam) die de laatste jaren hebben plaatsgevonden op Amsterdams grondgebied en elders in Nederland, vormen hiervan het levende bewijs. Ook het veelvuldig gebruik van gepantserde voertuigen en de frequente inzet van bodyguards door de leiders van genoemde groepen, getuigen van deze niet aflatende strijd om de controle over de heroïnehandel in West-Europa. De bereidheid van Chinese criminele organisaties om meedogenloos op te treden tegen mensen die hun belangen aantasten – ook tegen eigen mensen die bijvoorbeeld drugs of geld achterhouden – of de vergroting hiervan willen verhinderen, moet dus niet worden onderschat. Alleen: dit geweld wordt tot nu toe nog vrijwel uitsluitend aangewend tegen personen van Chinese origine. Wellicht is het ook hierom dat de georganiseerde criminaliteit in Chinese kringen de voorbije jaren zo weinig aandacht heeft gekregen.

Juist de ondoorzichtigheid van de onderlinge verhoudingen tussen de betrokken triades en bendes, maakt het moeilijk om uit te zoeken hoe de Chinese heroïnehandel tot in Amsterdam precies verloopt. In één van de weinige projecten waarin dit toch is geprobeerd, bleek inderdaad dat er allerlei, moeilijk in termen van groepen te identificeren, handelslijnen naast en door elkaar heen lopen om, zoals in het concrete geval, uiteindelijk toch wel op één punt samen te komen – een wat grotere, geroutineerde Chinese dealer in het hartje van de stad. Hij betrekt – zéér vermoedelijk – zijn handel van een aantal grotere handelaren in Amsterdam en in andere Nederlandse steden; dezen onderhouden weer nauwe betrekkingen met een aantal handelaren in Hong Kong; en die staan op hun beurt via groothandelaren in Hong Kong, maar zeker ook in Bangkok, weer in contact met de producenten in Thailand. En er zijn duidelijk meer van die wat grotere Chinese dealers in
Amsterdam die als «verzamelpunt» fungeren voor heroïne die door heel verschillende groepen wordt aangevoerd.
Hoe de aanvoer precies geschiedt, valt evenmin exact te zeggen. Maar de mogelijkheden om heroïne op een vlotte en veilige manier naar West-Europa over te brengen, zijn nu ook weer niet onuitputtelijk. Enerzijds is vastgesteld dat dit gebeurt via schepen die meer West-Europese havens aandoen en nu eens in Amsterdam, dan weer in een andere haven, worden verlost van hun kostbare lading. Anderzijds dat het gaat met de hulp van koeriers die ook lang niet altijd rechtstreeks naar Schiphol vliegen, maar naar Amsterdam komen via tussenstops op andere Europese, ook Midden-Europese luchthavens; soms wordt zeker ook gebruik gemaakt van commerciële koeriersdiensten. Is de heroïne eenmaal hier beland, dan beschikt elk dealernetwerk over voldoende mogelijkheden om haar, over een aantal plaatsen verdeeld, veilig weg te bergen, vooral woonhuizen en restaurants, dikwijls bewaakt door gewapende handlangers. Wat er verder met de heroïne gebeurt, laat zich gemakkelijk raden. Deels wordt zij in kleine hoeveelheden verkocht aan plaatselijke afnemers, deels wordt zij verder verhandeld, Europa in, zeker tot in Italië en Spanje. Amsterdam is in de voorbije jaren haar cruciale rol in de Europese heroïnehandel zeker niet kwijtgeraakt. Er zijn geen aanwijzingen dat Chinese drugshandelaren de laatste jaren hebben gepoogd om politiemensen om te kopen, laat staan dat zij daarin zouden zijn geslaagd – zoals in de jaren zeventig. Wellicht wordt dit verklaard door het feit dat er geen reden is dit te proberen. De politie betekent momenteel immers geen groot gevaar voor de (Chinese) heroïnehandel; die vormt voor haar geen prioriteit in de opsporing. Maar dit neemt niet weg dat de Chinezen die bij de handel in heroïne zijn betrokken, heel behoedzaam opereren. Velen onder hen beschikken bijvoorbeeld alleen maar over geheime telefoon- en semafoonnummers. En zij organiseren hun bijeenkomsten of in (achterkamers van) hun eigen restaurants of, vluchtig, in «vreemde» hotelkamers, andermans restaurant of bar. Gevoegd bij het feit dat de meeste Amsterdamse politiemensen geen Chinees spreken, of, indien dit wel zo was, zich nog niet onopgemerkt in Chinese kringen zouden kunnen bewegen, betekent dit dat het verre van eenvoudig is om, anders dan langs technische weg, relevante informatie over het reilen en zeilen van de Chinese georganiseerde criminaliteit in Amsterdam te verzamelen. Hierom bestaat er ook geen goed zicht op wat er gebeurt met het geld dat in de heroïnehandel wordt verdiend. Dat het voor een deel ook via Amsterdamse wisselkantoren wordt gewit, staat vast. Maar dan! Men neemt aan dat een belangrijk deel terugvloeit naar Zuid-Oost-Azië en daar ook buiten de heronehandel wordt geïnvesteerd, onder meer in bouwprojecten in Zuid-China, zegt men. Een ander deel wordt zeker ook geïnvesteerd in Nederland, in infrastructuur voor de Chinese gemeenschap. En dan moet men denken aan de overname van restaurants, de vestiging van videotheken en de opening van gokhuizen. Investeringen in andere economische sectoren zijn tot nu toe in elk geval niet waargenomen. De Chinese georganiseerde criminaliteit heeft in dit opzicht, zo te zien, goeddeels haar traditionele uiterlijk bewaard. Tot en met natuurlijk de praktijken die van oudsher op de genoemde lokaties worden bedreven: de exploitatie van prostitutie en het lenen van geld, aan gokkers en anderen, tegen woekerrente.

Tenslotte moet erop worden gewezen dat ook in Nederland, en juist ook in Amsterdam, de Chinese georganiseerde criminaliteit niet langer alleen mag worden bekeken vanuit een traditionele voorstelling van zaken, namelijk dat zij is gestructureerd via triades of op triades gelijkende bendes. Net als eerder al in Hong Kong, in de Verenigde Staten, en elders in West-Europa, is men ook in Amsterdam al eens geconfronteerd met op zijn minst één uitgebreid politiebericht over een Chinese bende die enerzijds zou bestaan uit Chinese jongeren die hier zijn opgegroeid, en anderzijds uit Chinese asielzoekers. De leden van deze groep zouden zich op een uiterst gewelddadige manier schuldig maken aan beroving en afpersing van Chinese bedrijven in Nederland, België en Duitsland. Verder zou deze groep ook zijn geïnvolveerd in de heronehandel en in de handel in gestolen en valse cheques. Overigens wordt in Amsterdam ook wel gezegd dat bijvoorbeeld de Tai Huen Chai tegenwoordig eveneens een deel van haar achterban recruteert onder Chinese mensen die in asielzoekerscentra verblijven. Onderzoek naar de (on)juistheid van berichten als deze werd door de Amsterdamse politie niet verricht.

3.2.3.6. De rol van de Italiaanse mafia
De voortekenen die omstreeks 1990 wezen op de toenemende rol van de Italiaanse mafia in de drugshandel in Amsterdam zijn, achteraf gezien, juist gebleken. Zowel uit allerhande berichten van de Amsterdamse politie – eigen waarnemingen, verklaringen van informanten, waaronder vooral die van de Italiaanse informant Franceso Russo, wiens naam bekend is gemaakt door de Italiaanse justitie – als uit ambtsberichten van de Italiaanse politie, kan onomstotelijk worden geconcludeerd dat de Italiaanse mafia – meer bepaald in de gedaante van een aantal camorra-clans, die thuishoren in Napels en omgeving – reeds sedert jaren actief opereert op de Amsterdamse drugsmarkt, speciaal in de cocaïnehandel.

Om te begrijpen hoe deze handel verloopt moet men, om te beginnen, weten dat er in de stad zo’n vijf à zes Colombianen en Argentijnen verblijven die ogenschijnlijk een (Spaans of Italiaans) restaurant drijven, maar in
wezen volop betrokken zijn bij de handel in cocaïne op Amsterdam. Zij gaan op gezette tijden naar Colombia om afspraken te maken en vervolgens vliegen koeriers de bestelde hoeveelheden (soms honderden kilo’s) in kleine porties via Oost-Europese luchthavens, maar ook nog altijd via Schiphol, in. Hier in Amsterdam onderhouden deze cocaïne-importeurs nauwe contacten met enkele Italiaanse restauranthouders en criminele makelaars, die één ding gemeen hebben, namelijk dat zij kunnen optreden als vertegenwoordigers van een of meer camorra-clans. Wanneer deze personen weten wat er op de markt aan cocaïne te koop is, nemen zij in overleg met deze clans bepaalde partijen hiervan af en regelen via koeriers het vervoer ervan naar Napels en omgeving. De clans die zij in Amsterdam vertegenwoordigen, zijn:

  • de clan Annuziata (uit Boscoreale en omgeving, ook actief in de sfeer van overvallen en afpersingen);
  • de clan d’Alessandro (uit Castellamore di Stabia, tevens betrokken bij wapenhandel, overvallen en afpersingen);
  • de clan Giuliano (in het centrum van Napels, eveneens geïnvolveerd in illegaal gokken en afpersingen);
  • de clan La Torre (een van de meest geharde camorra-clans, uit de streek van Domitië, ook bedrijvig in de wapenhandel en afpersingen);

illegaal gokken);
– de clan Stolder (uit het centrum van Napels, geleid door drie broers, ook actief in wapenhandel, afpersingen, gokken);
– de clan Savio, (uit een Napolitaanse wijk, eveneens betrokken bij wapenhandel, afpersingen en illegaal aan afpersingen).
– en de clan Verde (uit de gemeente Sant Antino, ook geleid door drie broers, maakt zich vooral ook schuldig Een enkele van deze clans heeft in Napels zelf ook rechtstreekse contacten met een of meer Siciliaanse cosa nostra-families. En dus is de veronderstelling niet te gewaagd dat de Siciliaanse mafia langs deze (indirecte) weg tenminste zijdelings is betrokken bij deze Amsterdams-Napolitaanse cocaïnehandel. Voor het beleid in de toekomst is het evenwel wellicht belangrijker te weten dat er waarschijnlijk ook directe contacten bestaan tussen Colombiaanse en Italiaanse tussenhandelaren hier in de stad enerzijds en Siciliaanse opkopers, die zo komen invliegen, anderzijds. Of deze laatste figuren werkelijk vertegenwoordigers zijn van cosa nostra-groepen in de strikte betekenis van het woord, staat niet vast. Maar het feit dat nog niet zo lang geleden een man uit Palermo een bekend Italiaans restaurant in de stad heeft opgekocht, roept in dit verband vraagtekens op. Overigens zijn er ook schaarse, nog niet uitgespitte, berichten over rechtstreekse connecties tussen Italianen uit Calabrië, mogelijk gezanten van een of meer ‘ndrangheta-families, en «Amsterdamse» Italianen. In elk geval staat het vast dat leden van een Calabrische mafia-familie waartegen in Italië een grootscheeps onderzoek is gestart, in Amsterdam zijn ondergedoken.

Ook al heeft het er dan nu veel van dat de Italiaanse mafia in toenemende mate een belangrijke medespeler aan het worden is op de Amsterdamse drugsmarkt, dit gegeven mag niet uit het oog doen verliezen dat deze ontwikkeling zich niet zonder slag of stoot heeft voorgedaan. In 1991 namelijk werden de camorra-clans uitgedaagd door Joegoslavische criminelen die beweerden dat hun handel toch maar het werk van «kleine jongens» was. Een van de betrokken clans pakte de handschoen onmiddellijk op en greep een mislukte cocaïne-deal aan om een van de Joegoslaven in kwestie te liquideren. Zo behielden zij dus de controle over de handelskanalen voor verdovende middelen – vooral cocaïne, maar ook wel wat XTC-produkten – naar het Zuiden van West-Europa, in elk geval Italië. Sindsdien heeft geen enkele andere groep het meer geprobeerd de Italiaanse mafia in Amsterdam buiten spel te zetten.

Beziet men nu de manier waarop de contacten tussen de Colombianen en de Italianen hier in Amsterdam verlopen, dan komt men tot de vaststelling dat er niet al teveel voorzorgsmaatregelen tegen de onthulling van hun onderlinge relaties worden genomen. Waarom zou men ook? Er wordt op hun onderlinge betrekkingen in de stad niet of nauwelijks gerechercheerd! Toch zijn deze handelspartners nu ook weer niet zo onvoorzichtig dat zij alles openlijk doen. In de voorbije jaren is er vastgesteld dat er geen relevante gesprekken meer over de telefoon worden gevoerd; dat de bergplaatsen in de stad goed worden afgeschermd; dat er voor het vervoer van drugs door de stad veelvuldig gebruik wordt gemaakt van taxi’s; dat de koeriers die wekelijks uit Italië komen, steeds weer in andere «geprepareerde» auto’s (dubbele benzinetank bijvoorbeeld) rijden; etcetera. Slechts een enkele keer zijn er van de kant van de camorra ernstige bedreigingen geuit aan het adres van een politieman. Zorgelijker is het dan ook dat in politiekring het verhaal gaat dat twee politiemensen bedenkelijke contacten in het Italiaanse milieu hebben. Maar het is natuurlijk niet minder zorgwekkend dat aan de Colombiaanse kant van deze cocaïne-connectie een Amsterdamse advocaat verregaand zou zijn betrokken bij de regeling van deze handel.

Tot slot moet worden opgemerkt dat de inkomsten die de camorra via haar Amsterdamse handel in drugs, met name cocaïne, genereert, voorzover bekend, niet op enige schaal investeert in onroerende goederen of bedrijven in de stad. Dit neemt evenwel niet weg dat de schijven waarover deze handel in Amsterdam loopt – met name een stuk of wat (vijf à zes) Italiaanse restaurants – hier doelbewust door de camorra zijn aangeschaft.
In hoeverre zij indertijd de financiering van deze aankopen heeft laten lopen via (een hoofdkassier van) een bekende Nederlandse bank, konden wij niet achterhalen. Wel staat het vast dat de betrokkene, voordat hij eindelijk aan de deur werd gezet, een belangrijke rol heeft gespeeld in het witwassen van camorra-gelden. 3.2.3.7. De rol van Joegoslavische bendes

Gelet op wat hiervoor reeds te berde werd gebracht over het optreden van Joegoslavische criminelen respectievelijk Joegoslavische criminele groepen in Amsterdam, is het niet verwonderlijk dat hier nog eens specifiek wordt ingegaan op hun rol in de drugshandel.

Om te beginnen moet worden gesteld dat ook in dit geval uit de aard der zaak moeilijk of niet kan worden ingeschat hoe groot hun rol is. Niet zo lang geleden werd bijvoorbeeld wel vastgesteld dat er zo`n twee à drie (van de vijf) Joegoslavische groepen bij de drugshandel betrokken zijn, maar bij deze constatering moet wel een en ander worden aangetekend. Ten eerste dat de verhoudingen tussen deze groepen heel onvast zijn: nu eens werken zij samen, dan weer bevechten zij elkaar op leven en dood, letterlijk: een paar jaar achter elkaar hebben de leiders van twee bendes elkaar niet alleen met de dood bedreigd, maar ook aanslagen op elkaar gepleegd. En ten tweede dat het zo goed als onmogelijk is om hun grootte vast te stellen. De meeste van deze groepen lijken vrij klein te zijn, zo tussen de vijf tot tien personen. Maar de schattingen van de sterkte van de belangrijkste en bekendste groep – die rond de al eerder genoemde C – lopen zeer uiteen, van enkele tientallen tot enkele honderden personen. Dit grote verschil wordt onder meer veroorzaakt door het feit dat deze laatste groep, naar het schijnt, deel uitmaakt van een Joegoslavische groepering die over heel Europa is vertakt en dat de feitelijke sterkte van de Amsterdamse vertakking dus gemakkelijk worden verkleind of vergroot, al naargelang het uitkomt. Van deze groepering wordt trouwens stelselmatig aangenomen dat zij nauwe bindingen heeft met (nationalistische) Servische politieke fracties respectievelijk milities in voormalig Joegoslavië, met Belgrado als uitvalbasis.

Hoe dan ook, het heeft er veel van dat de betrokken groepen – algemeen gesproken – op verschillende manieren participeren in de drugshandel van Amsterdam. In de eerste plaats staat het buiten kijf dat zij hier van Colombianen, Nederlanders en anderen partijen drugs aankopen – vooral cocaïne, maar ook wel XTC-pillen en deze verder Europa in verhandelen, onder meer naar Duitsland, (Noord-)Italië en Spanje. In de tweede plaats, en omgekeerd, mag niet worden uitgesloten dat zij ook drugs aanvoeren op de Amsterdamse markt. Aan de ene kant heroïne, die via voormalig Joegoslavië uit Turkije wordt gehaald, mogelijk met de hulp van de voormalige Grijze Wolven. Aan de andere kant zou het althans zo kunnen zijn dat één of meer van die groepen vanuit voormalig Joegoslavië grondstoffen voor XTC-pillen naar Nederland brengen. En in de derde plaats zijn er politieberichten dat Joegoslavische criminele groepen – en hierin onderscheiden zij zich duidelijk van andere groepen – somtijds een belangrijke ondersteunende rol spelen in de handel van andere grote dealers. Op grond van hun grote, ja meedogenloze bereidheid om zwaar geweld tegen personen, ook (vroegere) vrienden (en wie dit niet doet, neemt het risico zelf te worden afgemaakt), te hanteren, worden zij namelijk, naar het schijnt, nogal eens ingehuurd om gewapenderhand bergplaatsen en transporten te beveiligen, achterstallige kopers tot vlottere betaling aan te manen, plegers van ripdeals te grazen te nemen, enzovoort. Het gewelddadige imago dat zij door hun optreden in de voorbije jaren binnen en buiten criminele groepen hebben opgebouwd, is somtijds al voldoende om «de problemen» opgelost te krijgen. Het rippen van Joegoslaven is dus niet echt een geliefde bezigheid in Amsterdam. Een Amsterdammer die een tijdje geleden dacht dat hij zich op dit punt toch wel wat kon permitteren, zag zich naderhand gedwongen om in een regen van kogels de stad te ontvluchten.

In aansluiting op dit laatste punt moet er trouwens op worden gewezen dat speciaal de verhouding tussen de grote Amsterdamse drugshandelaren en de Joegoslavische criminele groepen nog altijd moeilijk blijkt te liggen. Nadere beschouwing van de jaren tachtig kan leiden tot de indruk dat de Bruinsma-groep de Joegoslaven wel voor van alles en nog wat gebruikte – vooral voor het «vuile werk» -, maar er heel zorgvuldig op lette dat zij in de stad niet de overhand kregen. De liquidatie van B in oktober 1990, mogelijk zelfs feitelijk gepleegd door Joegoslaven, vormt één van de beste argumenten voor deze stelling. Een ander argument is dat Bruinsma en de zijnen hoogstwaarschijnlijk nimmer werden afgeperst door Joegoslavische groepen, zich ook niet lieten afpersen door hen. Na de moord op Bruinsma in juni 1991 kwamen de kaarten natuurlijk anders te liggen. Toen ontstond er, is onze indruk, een wankel evenwicht tussen beide partijen. Waarbij nu eens het verhaal gaat dat met name de groep van C alsnog veel geld eiste van de erflaters van Bruinsma en hem zelfs met «oorlog» dreigde om de hele drugshandel in de stad in handen te krijgen. Dan weer wordt verteld dat bepaalde invloedrijke Amsterdamse criminelen, groot geworden in de hashhandel en andere takken van georganiseerde criminaliteit, bereid zijn een verbond aan te gaan en de controle op de drugshandel, inclusief de daarbij behorende horecagelegenheden in de binnenstad, eerlijk te delen. De toekomst zal moeten uitwijzen of een van deze scenario’s het überhaupt haalt en, zo ja, welk dan. Dat het voor de overheid niet zo eenvoudig is om in het geweer te komen tegen deze Joegoslavische criminele
groepen in de drugshandel, ligt welhaast voor de hand. Wat – nog afgezien van de mogelijke complicaties in de sfeer van de buitenlandse politiek – dit moeilijk maakt, is ook in dit geval natuurlijk niet zozeer de wijze waarop via koeriers (auto’s, treinen, vliegtuigen) drugs worden getransporteerd; de technische mogelijkheden hiertoe zijn beperkt en onderhand ook wijd en zijd bekend. De moeilijkheden zitten hem veel meer in de organisatie van een adequate informatieverzameling en bewijsgaring. Hierbij moet op de eerste plaats worden bedacht dat de harde kern van de betrokken groepen alles bij elkaar genomen een betrekkelijk kleine gemeenschap vormt die slechts op een gering aantal plaatsen (restaurants, cafés) samenkomt en dus – met de taalproblemen er nog eens bij – moeilijk valt te penetreren. Ten tweede moet er niet alleen van worden uitgegaan dat er nauwelijks insiders zijn die met de politie willen «praten», want, mocht dit uitkomen, dan staat de sanctie vast. Maar er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat er aan contra-inlichtingenwerk wordt gedaan: observatie van politievoertuigen, bedenkelijke contacten met gewezen politiemensen (één van hen heeft, wordt gezegd, C eens een belangrijk dossier in handen gespeeld), bedreiging van (potentiële) getuigen, enzovoort. En tenslotte is het zeker ook zo dat deze groepen niet terugdeinzen voor serieuze intimidatie van politie- en justitie-ambtenaren. Dit gegeven bemoeilijkt natuurlijk ook ten zeerste een open, gerichte en effectieve aanpak van de criminaliteit die door deze groepen in georganiseerd verband wordt gepleegd.

Waar de inkomsten blijven die met de drugshandel worden gegenereerd, is minder duidelijk dan men zou wensen. Voor een deel zijn zij natuurlijk nodig voor de financiering van hun verblijf hier in Amsterdam, legaal en illegaal. Voor een ander deel worden zij zeker ook gebruikt om steeds weer opnieuw investeringen in de drugshandel te doen, en mogelijk ook in andere rendabele illegale activiteiten: (illegaal) gokken en woekerleningen aan gokverslaafden. Maar men neemt aan dat zeker de inkomsten van de groep rond C voor een groot deel worden gebruikt voor de financiering van «hun» strijd in voormalig Joegoslavië en dus voor de aanschaf van wapens, voertuigen, levensmiddelen, etcetera. Hierom ook is het inderdaad aannemelijk dat een deel van het verdiende geld in Amsterdam wordt witgewassen, zowel via eenvoudige wisseltransacties als via meer gecompliceerde wegen (via de aankoop van onroerend goed en de oprichting van bedrijven). Het werkelijke inzicht in het verloop van de geldstromen is evenwel heel beperkt. 3.2.3.8. De rol van Nigeriaanse en Ghanese netwerken

De voorbije jaren is meer en meer gebleken dat West-Afrikanen – Nigerianen, Ghanezen, inwoners van de Ivoorkust – een steeds belangrijkere rol zijn gaan spelen in de internationale handel in verdovende middelen. Via hun netwerken laten West-Afrikaanse criminele organisaties herone uit Zuid-Oost Azië vervoeren naar Europa en Noord-Amerika, en cocaïne uit Zuid-Amerika, al dan niet via Afrika, naar Noord-Amerika, Zuid-Oost-Azië en Europa. Gegeven dit feit kon het niet anders dan dat deze criminele organisaties vroeg of laat ook zouden opduiken op de Amsterdamse verdovende-middelen-markt. En zo is het ook gegaan. In de voorbije jaren is de Amsterdamse politie met name geconfronteerd met de criminele praktijken van Nigerianen en Ghanezen, en niet alleen op het gebied van de drugshandel, zoals hiervoor reeds werd aangegeven.

Wat de illegale activiteiten van Nigerianen betreft, is het zo dat tot nu toe haar ervaring hoofdzakelijk betrekking heeft op de oplichting van banken in het Amsterdamse via een simpele constructie: men recruteerde contactpersonen bij grote banken; bewoog dezen ertoe om overboekingsformulieren van bekende bedrijven en instellingen achterover te drukken; dan was het niet moeilijk om via deze formulieren (ingevuld en wel) geld te laten storten op rekeningen die kort tevoren bij andere banken waren geopend; en tenslotte was het een koud kunstje om zo snel als mogelijk deze rekeningen «leeg te trekken». Het desbetreffende opsporingsonderzoek werd niet voor niets het booking-project genoemd. De rol van Nigeriaanse groepen in de handel in verdovende middelen werd door de politie in Amsterdam dus nog nimmer grondig onderzocht. Er is evenwel voldoende informatie voorhanden om te kunnen stellen dat, wanneer zij dit wel zou doen, onmiddellijk zou blijken dat Nigeriaanse criminele organisaties inderdaad ook volop opereren op de Amsterdamse drugsmarkt. Een greep uit de voorhanden zijnde politieberichten moge volstaan om dit aannemelijk te maken:

  • Nigerianen zoeken hier koeriers voor het ophalen van cocaïne in Brazilië;
  • er wordt door Nigerianen vanuit Zuid-Amerika via Nederland cocaïne gesmokkeld naar de Scandinavische landen;
  • in Amsterdam woonachtige Nigerianen gaan drugskoeriers ophalen in Luxemburg;
  • Nigerianen onderhandelen met een Nederlandse drugshandelaar over een partij van 2.500 kg marihuana;
  • op Schiphol werken «platte» medewerkers voor Nigeriaanse drugssmokkelaars. Wie deze en andere berichten plaatst tegen de achtergrond van wat er in het algemeen bekend is over de Nigeriaanse drugshandel (zie het landelijke rapport over etnische en buitenlandse groepen), zal onmiddellijk begrijpen dat, mocht de politie te Amsterdam ooit beslissen zich in deze handel te verdiepen, zij de grootste
    moeite zal moeten doen om het onderzoek beperkt te houden en het niet te laten verzanden in een oeverloos proces van informatievergaring.

Deze gedachte wordt ondersteund door de ervaring die de Amsterdamse politie heeft opgedaan in haar onderzoeken naar de drugshandel van Ghanezen. Aanvankelijk was dit onderzoek nog redelijk beperkt van opzet. Onder de noemer van Goofy I-project werd rond 1990 slechts nagegaan hoe Ghanese vrouwen zeker al sedert 1988 per trein flinke sommen geld en grote hoeveelheden drugs naar Nederland (Amsterdam) respectievelijk naar (Noord-)Duitsland smokkelden. Naar aanleiding van enkele aanhoudingen in januari 1992 werd – onder de noemer van Goofy II – evenwel een wereldwijd onderzoek opgestart naar de wijze waarop een kleine clique van overwegend Ghanese mensen, woonachtig in de Bijlmermeer, van hieruit een aanmerkelijke drugshandel tussen Afrika (Ghana), Europa (vooral Engeland, Frankrijk, Duitsland, Italië en Zwitserland), en Noord-Amerika (de grote steden aan de Oostkust en ettelijke Canadese metropolen) runde. De drug die bovenal werd verhandeld was cocaïne, al dan niet via Afrika geïmporteerd uit Zuid-Amerika. Hoe lucratief deze handel was kan alleen al worden opgemaakt uit het feit dat, afhankelijk van de omstandigheden, 1 kg cocaïne op de Amerikaanse markt tussen de 60.000 en 100.000 gulden opbracht. Na aftrek van de transportkosten – tickets, hotelkosten en beloning van koeriers, aankoop van smokkelvesten en corsetten, hoge telefoonrekeningen, etcetera – bleef er dus altijd genoeg winst over.

De ruggegraat van het netwerk in kwestie telde niet zoveel wervels. Naast de leider van de organisatie, een Ghanees die voortdurend op en neer pendelde tussen Afrika, Zuid-Amerika en Noord-Amerika, maar zich niet of nauwelijks in Nederland vertoonde, was er hier een groepje van een vier à vijf personen dat als het ware het knooppunt vormde van de operationele relaties met vaste afnemers in tal van steden in de landen die hiervoor werden opgesomd. De centrale figuur in dit groepje was ongetwijfeld een Ghanees. Hij werkte evenwel nauw samen met een Surinaamse vrouw, die hij eerder toevallig in Italië had ontmoet. Zij met z’n tweeën regelden eigenlijk de hele aan- en afvoer van de cocaïne: wanneer, hoe, tegen welke prijs, hoeveel, naar waar en naar wie; en daar hadden ze – zo te horen over de telefoontaps – hun handen vol aan. Op twee punten werden zij doorlopend geholpen door min of meer vaste Ghanese medewerkers. De ene regelde met name alles in verband met het vervoer van de koeriers en de drugs, de andere stond vooral in voor de transport-klare verpakking van de cocaïne, hetzij in een koffer, hetzij in een smokkelvest, hetzij in balletjes die de koeriers moesten inslikken – tot wel 60 in één keer toe. Het aantal koeriers waarop deze clique beroep kon doen, was niet altijd even groot. Nu eens hadden bepaalde mensen geen zin meer in koerieren, dan weer werden koeriers ergens ter wereld aangehouden. Maar al bij al kwamen er in de loop van het onderzoek toch zo’n 50 personen in beeld die eenmaal, onregelmatig of vrij frequent vanuit Amsterdam koeriersdiensten verrichtten. De groep koeriers waarop beroep werd gedaan, was vrij heterogeen van samenstelling. Naar nationaliteit bezien was het zo dat er naast een groot aantal Ghanezen, vooral vrouwen, uit de Bijlmermeer en omgeving, nogal wat Surinaamse, Nederlandse, Duitse, Engelse, Turkse en bijvoorbeeld Zuid-Afrikaanse mensen tussen zaten. Tot op zekere hoogte was dit bonte gezelschap door het lot bij elkaar gebracht: het was niet altijd zo eenvoudig om koeriers te vinden, hoe aanlokkelijk de verdiensten ook waren – 2.000 dollar voor een betaald reisje naar New York bijvoorbeeld. Anderzijds was haar samenstelling zeker ook bepaald door tactische overwegingen. Naar Duitsland, en zeker naar Oostenrijk en Zwitserland, konden volgens de organisatoren veel beter «blanken» worden gestuurd dan «zwarten»; die werden immers veel strenger gecontroleerd. En naar Amerika hing het er maar vanaf: naar de ene stad kun je, zeiden zij, beter «zwarten» sturen, en naar de andere «blanken». Hierom ook was de groep zo divers samengesteld naar leeftijd. Hij telde zowel «zwarte» jonge meisjes als hoogbejaarde «blanke» grijsaards. De achterliggende gedachte was dat op bepaalde luchtvaartlijnen mensen met een lage dan wel een hoge leeftijd minder streng zouden worden gecontroleerd door politie en/of douane en immigratiedienst.

Bij lezing van de tapverslagen valt trouwens helemaal op hoe de centrale figuren in dit netwerk constant bezig waren met het minimaliseren van de risico’s van betrapping en dus met het maximaliseren van de winst. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan:

vorm (op een primitieve manier overigens, bijvoorbeeld: «het grote huis» is Schiphol); – zo min mogelijk «zaken» bespreken over de telefoon en, als dit onvermijdelijk is, het doen in gecodeerde de transporten;

– wanneer er enige aanleiding is om te denken dat de politie met observatiewagens «op straat» is, stoppen met aan huis;
– in Amsterdam en omgeving de koeriers zoveel mogelijk onderbrengen in hotels; zo geen opzichtig geloop
– niet te grote hoeveelheden drugs in één keer meegeven; kleine hoeveelheden (tot 1,5 kg) zijn beter weg te – op Schiphol zo min mogelijk bij elkaar klonteren of elkaar nadrukkelijk wegbrengen en opwachten; moffelen en als ze toch worden gepakt, is het verlies minder groot;
vliegvelden, enzovoort;
– eerst nagaan of een handelskanaal «vrij» is, dat wil zeggen vrij van indringende controles aan de grenzen, op omzeilen door van andere luchthavens (Duitse bijvoorbeeld) te vertrekken, door een andere – telkens bekijken op welke vliegvelden (op welke mensen) de controles het minst streng zijn; strenge controles luchtvaartmaatschappij (niet KLM) te kiezen, of door in een nabijgelegen land aan te landen (via Toronto naar New York).

Het spreekt voor zich dat al zulke tactische overwegingen en maatregelen niet typisch zijn voor een Ghanese criminele organisatie. Elke organisatie die internationaal verdovende middelen smokkelt, zal op deze manieren haar risico’s calculeren en spreiden. Dit geval is echter een van de weinige recente gevallen waarin de centrale recherche nog eens op een «ouderwetse» manier – via de koeriers – tegen een drugsorganisatie onderzoek heeft gedaan.

Zo stond deze Ghanese organisatie natuurlijk ook niet alleen in haar zorgen omtrent de koeriers: drukken zij geen geld of drugs achterover? Worden zij onderweg niet ziek (van de vele «balletjes»)? Zij zullen toch wel hun mond houden, als ze worden gepakt? Hebben we desgevallend een goede advocaat voor ze (waarbij «goed» niet staat voor «handhaving van burgerrechten», maar voor «in staat een zo laag mogelijke straf te verkrijgen»)? Bij vlagen werd de Ghanese organisator in de Bijlmermeer helemaal gek van zulk soort problemen en zag hij al zijn investeringen in rook opgaan (hij had in Ghana een deel van zijn diamanten verkocht om zijn eerste kilo’s cocaïne te kunnen betalen). Opmerkelijk is wel dat, door deze groep, de hele handel niet op een gewelddadige manier werd bedreven. De centrale regelaars van het netwerk droegen zelf niet constant vuurwapens – hadden er wellicht ook geen – en dreigden er ook niet mee in de richting van koeriers of andere helpers. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Italiaanse, Joegoslavische en Chinese criminelen opereerden zij, kan men rustig zeggen, geweldloos. Dit neemt niet weg dat meer dan eens door de Ghanese hoofdman werd verzucht dat hij het in Ghana met de dood zou moeten bekopen, als er een flinke partij cocaïne of een behoorlijk geldsbedrag op een «onregelmatige» manier zou verdwijnen. Dus op de achtergrond speelde (de dreiging van) het geweld zeker wel een rol.

Ook wat het element van de corruptie betreft moet worden gezegd dat in elk geval op Nederlandse bodem geen sprake was van gecorrumpeerde ambtenaren of al te behulpzame arbeiders – ook niet op Schiphol. Maar opnieuw, de groep in kwestie was op dit punt nu ook weer niet brandschoon. Op Heathrow maakte zij wel gebruik van een «platte» politieman. Dus als de kans zich voordeed om zonder veel risico corrupte figuren in te schakelen, deed zij dit ook.

Wat er gebeurde met het geld dat via de cocaïnehandel werd verdiend, is niet direct nagegaan. Zoveel is wel duidelijk, dat het niet werd gebruikt voor investeringen in Nederland, in onroerend goed of wat anders. De winst die werd gemaakt, vloeide op de een of andere manier dus terug naar Ghana, of werd in elk geval gebruikt om in dit land andere handelsactiviteiten op gang te brengen of uit te breiden. Lezing van de stukken wekt het vermoeden dat de Ghanese hoofdfiguur hier in Nederland de revenuen voor een stuk investeerde in de wapenhandel (van Londen naar West-Afrika, dus ook naar Nigeria) en in zijn im- en exportfirma voor levensmiddelen in Ghana.

3.2.3.9. De rol van Britse dealers
Een van de opmerkelijke bevindingen van dit onderzoek is dat de politie Amsterdam in geen jaren te maken heeft gehad met Duitse, Franse, of Belgische criminele groepen die hetzij vanuit Amsterdam opereerden, hetzij Amsterdam tot speerpunt van hun activiteiten hadden gemaakt. Natuurlijk zou men kunnen opmerken dat dit alles te maken heeft met een eenzijdige oriëntatie van deze politie op bepaalde buitenlandse groepen criminelen. Hier staat echter tegenover dat zij er ook niet onafhankelijk van haar eigen (niet-)optreden mee wordt geconfronteerd, bijvoorbeeld in de sfeer van de liquidaties. Waarom dit zo is, zou een nader onderzoek waard zijn. En dit temeer omdat er – zoals in het voorgaande is gebleken – vanaf de jaren zeventig wel voortdurend Britse criminelen, hele criminele groepen misschien, (ook) Amsterdam hebben gebruikt als hun thuis- en uitvalsbasis.

Hoe dan ook, in de jaren negentig hebben Britse criminelen bij herhaling gefigureerd in onderzoeken van de Amsterdamse politie. De reden waarom zij in juli 1992 echter een speciaal team opzette om een gericht onderzoek in te stellen naar de criminele handel en wandel van een aantal Engelsen (en enkele Amerikanen en Australiërs) in de stad, was gelegen in het feit dat kort daarvoor, in mei en juni, drie moorden waren gepleegd waarvan de slachtoffers (een Amerikaan, een Australiër en een Nederlander) kennelijk alle drie
thuishoorden in dezelfde (Engelstalige) wereld van kleine en grote internationale drugshandelaren, van lokale drugsverkopers en van alle mogelijke drugsgebruikers. Zo’n twee jaar later (1994) werd dit onderzoek naar aanleiding van nieuwe informatie over de mogelijke daders op beperkte schaal heropend, in de hoop althans één van de desbetreffende moorden alsnog te kunnen oplossen. En de moord op de betrokken Nederlander is inderdaad opgelost.

Vóór alles lieten deze opeenvolgende onderzoeken zien dat in Amsterdam een bepaald crimineel netwerk tijdenlang kan functioneren zonder dat dit de politie opvalt. In dit geval waren het pas de bedoelde moorden die haar de ogen openden. Het nadere onderzoek liet daarop zien dat er in de stad inderdaad een netwerk van overwegend Engelse drugsdealers bestond dat zo’n 150 personen omvatte. Een groot aantal van hen was overwegend op de lokale markt actief en stelde in de internationale drugshandel niet of nauwelijks wat voor. Maar er waren er ook enkelen onder die, al dan niet vanuit één of meer coffeeshops, redelijk vakkundig zowel een segment van de lokale markt bedienden, als op vrij grote schaal cocaïne, LSD en andere synthetische drugs verhandelden: naar het Verenigd Koninkrijk, de Scandinavische landen, de Verenigde Staten en Australië. Zij betrokken deze verdovende middelen van allerhande groothandelaren in de stad, Colombiaanse evengoed als Nederlandse dealers. Ook de koeriers waarvan zij zich bedienden, vormden met elkaar een gemêleerd gezelschap. Naast Engelsen, Amerikanen en Australiërs maakten er ook Nederlanders, Belgen en Duitsers deel van uit. Sommige koeriers waren zo ongeveer in vaste dienst van bepaalde dealers en vlogen zeer regelmatig naar onder andere Ierland, Engeland en Schotland. In een enkel geval werden de verdovende middelen op een kundige manier verstopt, onder meer in blikjes van een bekend merk bier die door eigen mensen met een speciaal apparaat werden vervaardigd. In andere gevallen gebeurde dit gewoon op de meer gebruikelijke manieren, verborgen op het lichaam, of weggemoffeld in een koffer. De grote dealers sloegen hun voorraden her en der in de stad op geheime plaatsen op. Bij deze depots werden overigens de nodige zware vuurwapens aangetroffen. Niet onbegrijpelijk voor wie zich in de positie van de handelaren verplaatst. Een van hen deelde de rechercheurs mee dat hij begin jaren negentig door twee Joegoslaven op een zeer hardhandige manier (in elkaar geslagen, geboeid, mond dichtgeplakt) was beroofd van twee kg cocaïne en wat sieraden. Hij had van deze rippartij geen kennis gegeven aan de politie. Vrienden hadden hem met behulp van een slijpmachine uit zijn boeien moeten bevrijden.

Met betrekking tot de moorden kwam uit het onderzoek naar voren dat er in het Britse dealers-netwerk voortdurend grote en kleine conflicten waren over de (gevraagde en geleverde) hoeveelheid drugs, over hun kwaliteit, over de prijs ervan, over de stand van de betalingen, etcetera. En ofschoon er wel vermoedens werden geopperd dat twee van de drie moorden uit dergelijke conflicten waren voortgevloeid, kon deze stelling onderzoeksmatig noch worden bevestigd noch worden ontkracht. Met andere woorden: tot op de dag van vandaag is niet precies bekend waarom ze werden gepleegd; de daders zijn ook niet opgespoord. De derde moord werd wel opgelost. Het bleek een soort roofmoord te zijn, gepleegd door bekenden van het slachtoffer die op het geld van de door hem beheerde coffeeshop uit waren. Zij vonden het normaal om zich hier gewapenderhand meester van te maken. Toen de beroving niet liep zoals de daders zich die hadden gedacht, wisten zij niet beter te doen dan het slachtoffer met enkele geweerschoten af te maken. Rechercheurs tenslotte, die het vorenbesproken onderzoek hebben uitgevoerd, zijn ervan overtuigd dat met dit ene onderzoek het probleem van de Britse dealers niet is opgelost. Nieuw onderzoek zou zeker weer laten zien dat een aantal Engelsen in de stad nog zeer bedrijvig is op het gebied van de illegale handel in verdovende middelen

bron: http://www.burojansen.nl/traa/b11_1_12.htm